Dagboek van een cultuurconsument

Ellen de Bruin probeert het cultuuraanbod een beetje bij te houden. Wat las ze en bekeek ze deze maand, en: wat niet?

Het was een geweldige maand om veel te lezen. Niet alleen veel regen en kou, veel avonden dus om binnen te blijven met een boek, maar ook nog eens de uitreiking van zowel de Britse Man Booker Prize als de AKO Literatuurprijs, zodat in principe ook duidelijk was wát er gelezen moest worden.

Maar het is niet gelukt. Vergeten, zelfs, om naar de uitreiking van de AKO-prijs te kijken, terwijl RTL Boulevard normaal geproken toch aanstaat. Wel de Booker-uitreiking gezien bij de BBC, maar dat leidde nergens toe. Ik had gehoopt dat die me ertoe zou aanzetten om eindelijk eens in de nieuwe Julian Barnes of Kazuo Ishiguro te beginnen, maar de winnaar werd John Banvilles boek over jeugdherinnerde zomervakanties. Gruwelijk onderwerp. Zulke vakanties hebben zo'n onschuldig zonnige, zorgeloze reputatie, maar schrijvers hebben er niet voor niets iets mee. Het is het soort goudmijn waar een normaal mens het liefst nooit meer in afdaalt.

Soms gaat het gewoon een tijdje niet, tussen mij en de boeken. Ik wil wel. Ik wil van heel veel boeken graag weten wat erin staat en hoe het is opgeschreven. Ik heb sowieso altijd graag een extra verhaal bij de hand voor naast het echte leven – een verhaal dat altijd beschikbaar is, naast mijn bed en in mijn tas, zodat ik erin kan vluchten in geval van tussentijd. Maar af en toe kom ik geen boek binnen. Neem Bret Easton Ellis. Die ligt nu al weken naast mijn bed, maar het enige wat ik lees zijn interviews met hem. In elk interview lijkt hij weer een heel ander soort man: van serieus-filosofisch tot volledig gestoord. Dat maakt me steeds nieuwsgieriger naar het boek waarin Ellis – weet ik uit die krantenstukken – een alternatief leven voor zichzelf bij elkaar heeft gefantaseerd, maar ik kom nauwelijks voorbij de prachtige beginzin `You do an awfully good impression of yourself'.

Een roman is als een droom, zei Ellis ook in een van de interviews, en inderdaad voelt niet kunnen lezen als niet kunnen slapen. Ik krijg niet genoeg fictie binnen. Ik droom niet genoeg. Ik word daar steeds neurotischer en onhandiger van. En naar de film gaan helpt niet, want het gaat om zelf in je hoofd beelden maken bij een verhaal. Dus het enige wat helpt, is dat iemand een verhaal aan je vertelt. Maar krijg maar eens iemand zover.

Gelukkig kwam halverwege de maand een vriend bij mij thuis een nieuwe lamp ophangen. Dat heeft met onhandigheid door fictiedeprivatie verder niets te maken; ik krijg het gewoon voor elkaar om elke feministische golf die voorbijkomt, te missen. Ik vond de situatie overigens wel zo genant dat ik de vriend beloofde hem als beloning mee naar het theater te nemen. Dat vond hij weer zo genant dat hij in mijn huis ging rondlopen om te kijken of er dan tenminste nog méér opgehangen moest worden. Maar alles hing al. (Ik vind dat handig met stofzuigen.) Dus gingen we naar Sanne Wallis de Vries, en vanaf dat moment kwam alles goed. Mijn nieuwe lamp hing geweldig, Sanne vertelde een verhaal, en omdat we allebei dol zijn op Sanne haar typetjes op tv, viel de theatershow een beetje tegen en stonden de vriend en ik alsnog quitte. En ik wist weer wat ik moest doen. Naar het theater.

Dus nam ik de week erop twee vriendinnen mee naar Brigitte Kaandorp. Daar verwachtte ik weer niet zoveel van. Ik ben dol op Brigitte Kaandorp. Ik heb al haar shows gezien. Toen ik op de middelbare school zat, wachtte ik haar na afloop van de voorstelling met mijn vriendjes op en dan tekende ze naast haar handtekening een stronk witlof in onze agenda's (als in: `with love'), met een bos worteltjes erbij voor de gezelligheid. Maar haar vorige voorstelling ging over een schoolreünie, wat nog gruwelijker is dan een schoolvakantie. Ik hoefde bovendien niet te lachen en was bang dat Brigitte een jeugdzonde van me was geworden.

Dat was niet zo. Ik ben nog nooit zo verliefd op haar geweest als nu. Ze had een verhaaltje bedacht voor ons, als excuus om op het podium te staan denk ik, maar dat was overbodig: ze was als zichzelf al grappig en ontroerend genoeg. Ze zong zonder mal stemmetje een prachtig verbaasd lied over de zon die scheen terwijl haar man er toch net vandoor was, en toen ze aan het eind van de show vertelde dat ze liever nog even wilde blijven omdat ze anders naar haar kinderen moest, hingen de twee moeders naast me huilend van herkenning in hun stoel. ,,Dan vragen ze, mam, waar is die stok die we twee weken geleden in de duinen hebben gevonden? En hoe lang moet je sparen voor een paard? Alsof ik dat weet! Ik weet niet wat een paard kost, en of er ook zo'n karretje bij moet, en ik weet toch ook niet hoever ze nu al is!''

Ook buiten ging ineens de zon weer schijnen. En omdat het themamaand onhandige vrouwen bleek te zijn geworden, las ik op een terras binnen twee uur Varying Degrees of Hopelessness uit, een oud boek van Lucy Ellman, onbekende koningin van de onhandige vrouwen en voormalig testbeeldmuziekredacteur. Daarna kan alles echt alleen nog maar goed komen.