Aantal kegeltjes in oog verschilt enorm tussen mensen

De ene persoon heeft in zijn netvlies een grote overvloed aan kegeltjes die gevoelig zijn voor geelgroen licht, terwijl de ander maar bescheiden aantallen van dat type kegeltjes bezit. Toch heeft dat geen invloed op het waarnemen van kleuren. Dat blijkt uit opnames met een zeer gevoelige camera, gemaakt door wetenschappers van de Universiteit van Rochester, Wisconsin (Journal of Neuroscience, 19 okt).

Twee van de drie typen kegeltjes in het oog komen in heel variabele verhoudingen voor, zo bleek uit waarnemingen bij acht proefpersonen. Het verschil bedraagt ruim een factor zestien. De kegeltjes zijn gespecialiseerde cellen in het netvlies, waarmee wij kleuren waarnemen. Er zijn bij de mens drie soorten van, die gevoelig zijn voor licht met korte, middellange en lange golflengte. Elke kleur die we zien, is het resultaat van de waarneming van de drie soorten kegeltjes.

Hoewel iedereen ongeveer evenveel S-kegeltjes heeft (voor korte golflengte, het meest gevoelig voor blauw-violet) zijn er grote verschillen in de M-kegeltjes (middellange golf, groen licht) en de L-kegeltjes (lange golf, geelgroen). De grote verschillen tussen mensen waren al wel eerder indirect gemeten door experimenten met gekleurd licht. De Groningse hoogleraar natuurkunde H.L. de Vries had in 1946 de primeur hij berekende destijds een verschil van een factor drie. De Amerikanen waren echter de eersten die direct de cellen in het netvlies fotografeerden bij levende proefpersonen. Iemand die relatief veel L-kegeltjes heeft, zal dus veel signaal van die kegeltjes naar zijn hersenen sturen. Toch is de kleurwaarneming bij alle mensen ongeveer hetzelfde, blijkt uit metingen die de Amerikaanse onderzoekers bij de proefpersonen uitvoerden. Over wat puur geel is, hadden ze allemaal hetzelfde idee – ongeacht de samenstelling van hun kegeltjes.

De wetenschappers uit Wisconsin denken dat dat komt doordat de hersenen de kleurwaarneming bijstellen aan de hand van wat er nog meer in de omgeving te zien is. Drie jaar geleden onderzochten ze dat door proefpersonen elke dag een paar uur gekleurde ooglenzen te laten dragen (Neuron, 2002). In dat experiment kregen de proefpersonen na enkele dagen wel andere ideeën over puur geel.

De Amerikaanse onderzoekers bedachten voor hun nieuwe studie ruim vijf jaar geleden een zeer gevoelige camera, die een techniek gebruikt die ook in telescopen wordt toegepast. Een vervormende spiegel zorgt ervoor dat de lichtstraal die op het netvlies valt, continu wordt scherpgesteld. Zo blijft de lichtbundel heel scherp, ondanks verstrooiing door de pupil, de lucht en het wazige glasachtig lichaam.

De techniek leverde nauwkeurige foto's op van het netvlies, waarin de ronde kegeltjes dicht opeen gepakt liggen. De soorten kegeltjes liggen random in het netvlies verdeeld. De wetenschappers hadden juist groepjes met gelijke kegeltjes verwacht, omdat dat volgens de theorie de beeldscherpte zou bevorderen. Maar de cellen bleken toch random verdeeld. Met te grote kluiten van dezelfde kegeltjes kun je niet goed met het hele netvlies kleuren zien, denken ze nu.