Zee, ik ben al halverwege

`Thalassa! Thalassa!' Xenophon zal er geen benul van hebben gehad dat hij een van de allerbekendste citaten uit de wereldliteratuur zat op te schrijven toen hij met deze lapidaire uitroep de opluchting van het legertje van tienduizend Grieken verwoordde op het moment dat zij na een avontuurlijke tocht door de binnenlanden van het huidige Turkije eindelijk terugkwamen aan zee, de weg naar huis. `De zee! De zee!' Natuurlijk is de kreet vooral bekend geworden doordat iedere gymnasiast vroeger de Anabasis moest lezen en doordat de grammaticale structuur zo overzichtelijk is dat iedere ex-gymnasiast zich herinnert hoe hij deelde in de euforie en opluchting van de protagonisten toen hij opeens onverwachts één hele zin zonder woordenboek foutloos bleek te kunnen vertalen. Maar dat is niet alles. Er is iets onverklaarbaar diepzinnigs aan `zee!' roepen als je de zee ziet. Er is iets onverklaarbaar ontroerends aan mensen die blij zijn als ze de zee zien. Er is iets onverklaarbaar universeels aan het verlangen de zee te zien. En sinds vandaag wil ik niets liever dan dat de dichter Ingmar Heytze de zee zal zien.

Ik woon in Leiden. Op de fiets ben ik binnen een klein half uurtje op het strand bij Katwijk. Ingmar Heytze woont in Utrecht. Met de stoptrein via Leiden Lammenschans, Alphen aan de Rijn, Bodegraven, Woerden, Vleuten en Utrecht Terwijde ben ik binnen één sudoku in zijn stad. Voor Ingmar Heytze is de zee even onbereikbaar als zij leek voor een Grieks leger op vijandig gebied omringd door barbaren. Sinds een jaar of tien lijdt hij aan hodofobie, reisangst, of, zoals hij het zelf prefereert te noemen, `reiswee'. Hij durft Utrecht niet uit. Het is een rare fobie, die je in eerste instantie uiteraard helemaal niet serieus neemt. Pas toen ik hem er enkele jaren geleden uitgebreid over sprak, in Utrecht uiteraard, begreep ik dat ik het weliswaar helemaal niet begreep maar dat het zo echt was als het maar kon zijn. Sinds vandaag denk ik het ook te begrijpen.

Vandaag las ik Scooterdagboek, een pretentieloos prachtig klein boekje, waarin Ingmar Heytze onopgesmukt verslag doet van de geschiedenis van zijn angst en vooral van zijn pogingen om zijn fobie te overwinnen door op een zwarte Vespa GT motorscooter steeds ruimere cirkels om Utrecht te trekken, in zijn broek schijtend van vrijheid, zingend in zijn helm. Het is een heldendicht in proza geworden, een poëtische miniatuurvariant van Easy Rider, waarbij voelbaar wordt gemaakt hoe immens de overwinning is als Baarn wordt bereikt en welke onmenselijke heldendaad het is daar ook daadwerkelijk af te stappen om een uurtje de krant te lezen en koffie te drinken. Dag na dag, kilometer voor kilometer wordt de vrijheid bevochten op de grote Angstpolder.

Het uiteindelijke doel is de zee. Het wordt niet gehaald. Het dagboek sluit af op dinsdag 21 juni 2005 wanneer na een rit van 93 kilometer Muiden is gehaald: `Dat ik nog niet ben aangekomen, is van geen belang. Zolang ik in beweging ben, heb ik nog niet verloren. Als je niet beweegt, stolt je bloed. Ik weet dat ik mijn angst mee zal dragen tot mijn laatste ademtocht, maar ik vlucht niet meer, ik vecht. Mijn zee, mijn lezer, mijn liefste, mijn leven, mijn dood, waar jullie ook mogen zijn: ik kom eraan. Ik ben halverwege.' Het wonder van dit boekje is dat deze pathetische slotzinnetjes waarlijk werkelijk echt ontroeren door de moed en de eenzaamheid van het gevecht dat eraan vooraf is gegaan.

Zonder valse gêne of literaire dikdoenerij bekent Ingmar Heytze in zijn Scooterdagboek dat de poëzie hem momenteel gestolen kan worden. `Of ik nog weleens een gedicht schrijf? Ik dacht het niet. Als er geen deadline aan vast zit, grijp ik niet meer naar de pen. [...] Sinds ik motorrijd, is het uit tussen de Muze en mij. De vonk is weg. De opschrijfboekjes blijven leeg. Het is vreemd om plotseling alle interesse te verliezen voor iets wat me al mijn halve leven op de been houdt, maar wel verfrissend. Je zou het een poet's block kunnen noemen als ik het dichten miste, maar dat doe ik niet. Ik geef liever gas.'

Ongeveer tegelijk met het dagboek verscheen een fraai uitgevoerd bundeltje dat vanwege de onderwerpskeuze de indruk wekt van een voorlopig poëtisch testament: Utrechtse gedichten, een bundeling van de gedichten die Ingmar Heytze in de loop van de jaren over zijn gevangenis heeft geschreven. `Dit is een stad als een gesticht, / je komt er niet zo snel meer weg.' De noodzakelijke deadline wordt gethematiseerd: `je hebt hier al zo veel bedacht / van minder en van meer gewicht / over dit dierbaar Utrecht waar / je weg stond en je graf straks ligt; / de krant belt of je dat maar even / vangen wilt in een ludiek gedicht.' De bundel bevat een twintigtal van dit soort vaardige, charmante gedichten die zo op een gevelsteen kunnen en waar ik niet warm of koud van word. Behalve van het gedicht `Utrecht aan zee', dat mij diep ontroert. Vanwege de titel.

Nee, dit is geen poëtisch testament, Heytze kan veel beter, hij kan ook nog veel beter dan zijn beste werk en hij zal dat nog laten zien ook. Maar eerst moet hij de zee zien. Misschien heeft hij inmiddels Alphen al gehaald. Misschien heeft hij er zelfs al koffie gedronken. Terwijl ik dit typ, zie ik hem voor mij, moedig eenzaam gas gevend in een eindeloos angstaanjagende polder in de richting van het verre Leiden en dan, op een dag, aan mij voorbij, naar Oegstgeest, Rijnsburg, Katwijk aan de Rijn en van daaruit is het nog maar twee kilometer. Ik zal naar hem zwaaien als hij zingend voorbij rijdt. En pas daarna wil ik weer een gedicht van hem lezen. Over de zee.

Ingmar Heytze: Scooterdagboek. Podium, 112 blz. €12,50

Ingmar Heytze: Utrechtse gedichten. Met Utrechtse prenten van Dick van Luijn. Erven J. Bijleveld, 32 blz. €14,95