Weggestuurd

Hé, weet je? Ik ben heel erg boos. Ze hebben me een rotstreek geleverd.

Ik was tijdens de vakantie op het strand. Het was er mooi, met harde wind, wilde meeuwen en grote golven.

Maar omdat het nogal koud was en ik de zee niet in kon, verveelde ik me. Daarom besloot ik een wip te maken van een oude plank die ik bovenop een klein bergje zand legde. Met die wip schoot ik stukken hout en stenen weg, door met mijn hand een harde klap op een uiteinde van de plank te geven. Als bij een katapult.

Een paar meter verderop groef een andere jongen een kuil. Steeds gooide hij zand tegen me aan, wat ik niet leuk vond, vooral niet toen het in mijn ogen kwam. ,,Hé, houd daar eens mee op'', zei ik. Maar hij deed net of ik niet bestond. Hij sprak alleen maar in een rare taal met zijn dikke moeder, die in een stoel een truitje zat te breien. Ik schoot nog maar wat stukjes hout weg, die in de buurt van de jongen en zijn moeder neerkwamen. Misschien hielp dat. De jongen riep nu iets in een vreemde taal. Nu deed ik eens alsof ik doof was.

Toen zag ik een eindje verderop een soort groene verharde spons liggen, die op een door de zee gemaakt doosje leek. Hij paste perfect op mijn katapult. Ik sloeg met mijn hand op het uiteinde van de plank en de spons schoot over mijn hoofd weg. Ineens hoorde ik een langdurig `auuuuw', dat gevolgd werd door gehuil.

Voorzichtig keek ik om en zag de andere jongen uit zijn kuil klimmen. Hij wreef met zijn zandhanden in zijn ogen. Net goed, dacht ik nog. Maar toen zag ik dat de dikke moeder uit haar stoel oprees en niet naar haar zielige zoontje liep, maar op mij afstormde. ,,Doeh, doeh, doeh!'', was het enige wat ze kon uitkramen, als een oude stoomlocomotief. Ik begreep nu dat dit het sein was om het strand te verlaten. Ik rende naar mijn eigen moeder, die een eindje verderop een boek zat te lezen. De dikke moeder achtervolgde me nog steeds. ,,Doeh, doeh!'' klonk het harder en harder.

Ik verstopte me achter de strandstoel van mijn moeder. De dikke moeder schreeuwde tegen de mijne: ,,Es ist ein schreckliches Kind.'' Gevolgd door nog wat woeste wooorden die ik niet verstond. Toen stormde ze terug naar haar gewonde zoon.

,,We moeten maar eens naar huis gaan'', zei mijn moeder.

,,Maar ik wil nog niet'', riep ik.

,,Die mevrouw wil de politie gaan halen'', zei mijn moeder. ,,Haar zoon heeft een gat in zijn hoofd.''

En zo kwam er plotseling een eind aan mijn dagje naar het strand. Net toen de wind ging liggen en ik eindelijk de zee in had gekund. `Doeh, doeh, doeh', hoor ik nog wel eens als ik van een heks droom.