Waar het dorp eindigt

De `Europese Literatuur', bestaat die eigenlijk? Margot Dijkgraaf maakt een tour d'horizon. Deze week de Oostenrijker Christoph Ransmayr: ,,Als ik denk aan het woord totalitarisme, dan denk ik eerst aan de Europese vorm daarvan.''

Hij geeft zelden interviews, Christoph Ransmayr, en dat merk je. Het is een spraakwaterval vol vuur, perfect formulerend, associërend en verhalend. Hij neemt urenlang de tijd, zijn ogen rusteloos, zijn enthousiasme ononderbroken. Ransmayr accepteerde de uitnodiging van de Vlaamse literaire organisatie Het Beschrijf om in Brussel een lezing te geven – een van de zes à zeven die hij jaarlijks geeft. Wereldberoemd werd de Oostenrijkse schrijver met zijn briljante roman De laatste wereld (1988), een fictieve biografie van Ovidius na diens verbanning uit Rome. En met Morbus Kitahara (1995), een roman die zich afspeelt in het fictieve Midden-Europese kuuroord Moor, schreef hij een volgend internationaal erkend meesterwerk. Sindsdien publiceerde hij reisverhalen, ,,kleine boekjes over grote thema's'' in de `kleine weisse Reihe Spielvormen des Erzählens' en werkt hij al jaren aan een volgende grote roman over ,,de Oost-Tibetaanse mythe van de vliegende berg''. Inmiddels woont hij in Ierland en reist van daaruit, als halve nomade, de wereld rond. ,,Wat ik, dankzij mijn succes, gekocht heb, is tijd. Dat is enorm kostbaar.''

Over `Europese literatuur' zegt Christoph Ransmayr (Wels, 1954) in eerste instantie geen precieze ideeën te hebben. Al pratend trekt hij een cirkel om het begrip heen, benadert het van alle kanten en heeft er uiteindelijk wel degelijk iets over te zeggen. ,,Midden-Europa werd lang vereenzelvigd met romantische en nostalgische kringen die terugverlangden naar de tijden van de Donaumonarchie, van de vorstenhuizen. De oude familiebanden met Hongarije, Slovenië, Tsjechië en Slowakije worden nu zichtbaar in een andere samenhang. Dat is mooi. De uitwisseling is er op alle gebied veel beter op geworden. Ik was vijf keer in São Paulo voordat ik voor de eerste keer naar Bratislava ging. Dat is nota bene een stad die je vanuit Wenen bijna kunt zien liggen.

,,In de oude Duitstalige, dynastieke structuren was Wenen het centrum, maar sinds de val van het IJzeren Gordijn vindt er een interessante omkering plaats. De mensen van de wereld, die veel reizen en veel talen spreken, komen tegenwoordig uit steden als Boedapest en Bratislava, de provincialen zitten in Wenen. Daar spreekt men alleen Duits. Het voormalige centrum is de provincie geworden.''

Wat is het effect op de literatuur? ,,Weet u wat boze tongen zeggen over de Oostenrijkse literatuur? `Het beetje dat wij lezen, schrijven wij wel zelf.' De verhalenverteller moet bereid zijn te luisteren, hij moet zich niet langer definiëren als iemand die aan het woord is, maar toehoorder worden. Ik zie mezelf als een luisteraar, ik praat maar heel zelden. Het is veel aangenamer naar een mooi verhaal te luisteren dan er zelf een te moeten verzinnen.''

In Europa moet er meer naar verhalen geluisterd worden, vindt Ransmayr. ,,Wat er zich in één hoofd afspeelt is toch snel verteld. Natuurlijk, je kunt duizend jaar doorbrengen met één hoofd, maar onze tijd is beperkt. Dan kun je beter ook naar anderen luisteren, nietwaar?'' Oude mythen kunnen daarbij een grote rol spelen, hoe verschillend die ook mogen zijn. Zelf putte hij voor zijn werk uit de Scandinavische en Griekse mythologie. ,,Wat de mythe interessant maakt is het exemplarische. Wat betekent pijn, wat is barbaarsheid,wat betekent het verlies van een geliefde? Onze lokale mythe geeft daarop een antwoord dat we begrijpen. Het wordt een archetype. De Tibetaanse mythe geeft op dergelijke vragen een heel ander antwoord: de dood is er geen tragedie, maar een opening, doden moet je loslaten. De mythe is voor mij interessant als heel concreet verhaal: wie waren die mensen die Troje hebben veroverd, die oorlogen hebben gevoerd, die daar hebben gewoond? Het exemplarische komt pas aan het eind. In de Europese mythe zit een subtekst die in Europa begrepen wordt.''

Bewustzijn

Daarmee zou het wellicht een van de wortels van de Europese literatuur kunnen zijn. ,,Als je de toestand van het Europese bewustzijn peilt, kun je dat alleen beoordelen als je de andere kent. Zoals de complementariteit van hoeken in de wiskunde. Ik kan alleen grenzen bepalen als ik zie waar iets eindigt en waar iets anders begint. Zo kan ik ook mezelf definiëren. Er zijn grenzen aan mijn voorstellingsvermogen, ik kan mij bijvoorbeeld niet verheugen op mijn dood, maar er zijn mensen die dat kunnen. Radicale islamisten maken het tot wapen. Ik voor mij vraag me af tot waar het land loopt en waar het strand begint. Waar begint het onbekende? Naarmate ik die vraag preciezer kan beantwoorden, weet ik beter wie ik ben.''

Enerzijds is Ransmayr de halve nomade, de kosmopoliet bij uitstek, anderzijds noemt hij zichzelf een dorpeling, een `Wurzelsepp', een absolute provinciaal. ,,Ik kom uit een extreem dichtgetimmerd Oostenrijks dorp, met alle schaduwkanten die je in een dergelijk dorp maar kunt hebben – ook de onmenselijke afgrond van de nazi-tijd. Vlakbij het dorp waar ik woonde waren er strafkampen, waar in de oorlog verschrikkelijke dingen zijn gebeurd. Mijn dorp is voor mij exemplarisch, in zekere zin kan ik daardoor ieder ander dorp begrijpen.''

Aan literatuur stelt hij dezelfde eis – aan zijn eigen, maar ook aan die van anderen. Wie, zoals in Morbus Kitahara, laat zien hoe een hele gemeenschap ten onder gaat, ,,niet alleen in daad, maar ook moreel en ethisch gezien'', moet dat zo doen dat ook de Sikh aan de oostkust van Sri Lanka het begrijpt. ,,Mijn omstandigheden moeten de zijne zijn. Ik moet mijn verhaal niet doorspekken met `oostenrijksismen' en lokale kleurstellingen. Iedereen die bereid is naar mijn verhaal te luisteren, moet het kunnen begrijpen.''

Ransmayr legt er niet voor niets zo de nadruk op. Sommige critici beschuldigden hem ervan elitair te werk te zijn gegaan in zijn roman De laatste wereld. Niet alleen draait het om de Metamorfosen van Ovidius, hij voegde er ook nog eens `Een Ovidius Repertorium' aan toe, waarmee het boek een ontoegankelijk karakter leek te krijgen. ,,Ik wilde er helemaal niet mee aangeven dat het nodig was te weten wie de mythologische figuren waren. Iedere lezer kon het boek begrijpen zonder de mythologie te kennen. Ik heb het toegevoegd voor de lezers die ervan kennis wilden nemen. Als je in Griekenland aan het strand ligt en je hoort iemand tegen een zekere Penelope zeggen dat ze haar natte badpak uit moet doen, dan weet je dat Penelope dat meisje is met het natte badpak. Weten wie Penelope in de antieke geschiedenis was, is helemaal niet nodig!''

Zo heeft Ransmayr in Morbus Kitahara het woord `concentratiekamp' of `SS' niet gebruikt. Kennis van de feiten mag geen voorwaarde zijn voor het begrip van literatuur en van zijn werk in het bijzonder. Het gaat om de verbeeldingskracht. ,,Je moet je kunnen voorstellen waartoe wij als individu in staat zijn als we maar lang genoeg worden uitgehongerd, geslagen, gemarteld. Je mag je blik niet afwenden. Het barbaarse is niet iets wat in de ander zit, maar ook in onszelf. Het zit heel dicht onder de oppervlakte.''

Zelf leeft Ransmayr voortdurend in het verhaal dat hij aan het schrijven is. Zijn nieuwe boek speelt zich beurtelings af aan de zuidwestkust van Ierland en in Oost-Tibet. ,,Het verhaal ordent mijn leven. Daaromheen bevinden zich concentrische cirkels. Ik leef in de structuur van mijn verhaal. Bij alles wat ik beleef, vraag ik me af of het met mijn verhaal te maken heeft. Als ik schrijf sta ik open voor indrukken, ben ik erg nieuwsgierig. Deze zaal bijvoorbeeld, in dit hotel in Brussel, heeft die een plaats in mijn verhaal? Dit is de beste toestand voor een schrijver, je staat met verschillende tijden en plekken simultaan in verbinding. Ik beschouw mezelf trouwens niet als een echte schrijver, ik weet niet waar het vandaan komt, misschien is het wel een neurotische kwaal.''

Mond houden

Stil zijn en luisteren zijn volgens Ransmayr de kwaliteiten waarover een romanschrijver bij uitstek moet beschikken. ,,Met verhalen is het net als met mensen. Je bent ononderbroken omgeven door miljoenen, miljarden mensen. Er is een ongelofelijke dichtheid van tragedies en van komedies om je heen – historische, nationale, individuele. Je zoekt je verhaal niet uit, je wordt door je verhaal gevonden. Je moet gewoon je mond houden en luisteren. De verhalenverteller bestaat in eerste instantie uit ogen en oren, heeft geen spraak. Een verhaal is er alleen als je ook een toehoorder hebt, een luisterend oor. Zonder dat is een verhaal een artistiek zelfgesprek. Ik ben een toerist. Een die niet alleen door geografische ruimten reist, maar vooral door innerlijke ruimten. Ik weet van mezelf dat ik heel langzaam schrijf, dus als ik de keuze voor een verhaal maak, weet ik dat ik andere verhalen niet kan vertellen. Het is net als met een huwelijk, het betekent dat je andere dingen niet doet, niet schrijft. Een verkeerde keuze, een verkeerd thema kost je jaren.''

Op het eerste gezicht heeft Europa geen enkele waarde als thema in Ransmayrs werk, maar bij nader inzien is dat toch het geval. Niet in politieke of inhoudelijke zin, ,,maar het is zo dat de mensen uit het dorp dichter bij je staan dan die uit de stad. Als ik aan de zee denk, denk ik niet in eerste instantie aan de Atlantische Oceaan, maar aan de Adriatische: daar rijd ik uit Wenen in een paar uur naartoe. Europa is een sleutel. Europa is voor ons toch de kleinst bekende ruimte. Er was altijd een hiërarchie in de Donaumonarchie, het zogenoemde staatsvolk stond boven de minderheden. Nu er is voor het eerst een vrijwillige samensmelting die niet op heerschappij is gebaseerd. De economie van een land moet in orde zijn om te kunnen toetreden. Ohne Fressen keine Moral. De oude vooroordelen en animositeiten zie je terugkomen. Die moet je ook niet verbieden, dat kan niet, je moet ze de ruimte geven. Ik denk dat er nu, voor het eerst in de Europese geschiedenis genoeg ruimte is om al die verschillen een plek te geven, zodat ze niet noodzakelijkerwijs tot progroms en slachtingen leiden. Al is het gevaar dat dat gebeurt er natuurlijk altijd. Ondanks alle verschillen, alle apocalyptische voorspellingen, geloof ik, net als Hegel, dat de geschiedenis een stap op weg naar het bewustzijn van de vrijheid is – ook als politiek en economie een andere taal spreken.''

Op politiek gebied zijn de kunstenaars geen knip voor hun neus waard, vindt Ransmayr, ,,hun politieke uitspraken zijn vaak op het infantiele af.'' Volgens Ransmayr heeft de kunstenaar wel degelijk een belangrijke taak, niet die van ,,profeet, analyticus of prediker''. Wat ze moeten doen is verhalen in omloop brengen, de uitwisseling bevorderen, ,,uitleggen dat wat hier is niet alles is, dat er aan de andere kant van de grens iets is wat fascineert, wat tot een bron van een nieuwe geschiedenis kan worden.'' De schrijver moet de lezer confronteren ,,met het vreemde. Vooroordelen zijn altijd het grootst daar waar de uitwisseling niet functioneert. Het antisemitisme is het sterkst daar waar geen joden zijn. Als er een osmose plaatsvindt, wordt de neiging het vreemde als de vijand te zien minder groot. Men heeft de kunst belast met morele, politieke, verklarende taken. Dat is onzin. Een verhaal vertellen heeft alleen zin als dat met passie gebeurt. Een verhaal is geen transportmiddel, geen vehikel voor een boodschap. Wat het kan doen is het voorstellingsvermogen bevorderen, laten zien dat de eigen ruimte, de eigen positie niet alles is, dat er een grens is, dat het een genoegen is die grenzen te overschrijden. Ik reis uit hartstocht, omdat ik nieuwsgierig ben, omdat ik wil weten hoe mensen elders leven.''

Ransmayr heeft Ierland als domicilie gekozen, juist omdat het grootste deel van de Ieren buiten Ierland woont: 3,5 miljoen Ieren wonen in Ierland, 35 miljoen elders. Dat betekent dat er een voortdurend uitwisseling is van verhalen. ,,De een heeft een oom in Australië, de ander een tante in Nieuw Zeeland. De oudere generaties werden er slechter behandeld dan de voormalige zwarte slaven in Amerika. Een dergelijke geschiedenis betekent veel voor het zelfbewustzijn van een volk en voor de dynamiek van de verhalen. Het mooie aan Ierland is, dat er precies het tegenovergestelde gebeurt van wat ik uit de Oostenrijkse provincie ken. In Oostenrijk denkt men: dit hier, dit dorp, tussen deze twee bergen, is het centrum van de wereld. Al het andere is buitenland, daar huist het kwaad, daar is het gevaarlijk. Oef, wat een geluk dat wij hier in ons dal, in het centrum wonen. In Ierland weet men dat de wereld pas bij het strand begint, dat de werkelijkheid begint waar het dorp eindigt.''

Patriottisme

Of Ransmayr een Europees schrijver is, is een vraag die hem niet bijzonder bezighoudt. ,,Die komt pas op de derde of vierde plaats. Eerst vraag ik mezelf af hoe ik tot mijn verhaal kom, onder welke omstandigheden, in welke context. In Morbus Kitahara schreef ik over het verwoeste Centraal-Europa. Dat is een Europese vraagstelling. Het is mijn eigen, persoonlijke geschiedenis die verweven is met de Europese. Of ik dat nu wil of niet, ik ben Europees. Door je wortels word je nu eenmaal gevoed. Hetzelfde geldt voor je rijkdom aan beelden, aan associaties. Als ik denk aan het woord totalitarisme of onmenselijkheid, dan denk ik in de eerste plaats aan de Europese vorm daarvan en niet aan wat ik in andere culturele omgevingen zag. Ik ben gemunt, ik draag een stempel en dat kun je niet meer veranderen.''

De toekomst van Europa is redelijk rooskleurig, meent hij. Het gaat er nu om de uitwisseling van personen, van hun verleden en hun verhalen te verbeteren. Het patriottisme dat hij signaleert, verontrust hem niet. ,,Dat is niet per definitie verkeerd, zolang het maar geen chauvinisme wordt of consolidatie zoekt in de dominantie van een groep.''

Over de positie van de Oostenrijkse literatuur in het Europese panorama is Ransmayr kort. ,,Ik weet niets van de Oostenrijkse literatuur. Als ik auteurs als Alice Munroe lees, of Mary McCarthy, dan vraag ik me niet af waar ze vandaan komen. Het maakt me niet uit of ze in mijn voetbalteam zitten of in een ander. Het gaat erom waar ze uit voortkomen. Hun nationaliteit, hun identiteit interesseert me niet. Ik vraag me af of ze me iets doen, of ze tot mijn familie behoren. Oostenrijk is veel te klein voor een nationale literatuur. Als die er al is, is het een liliputterliteratuur. Een spannende literatuur ontstaat alleen door een blik over de grenzen. Als je al iets kunt zeggen, is het dat: hoe kleiner een land, hoe noodzakelijker de blik over de grens.''

Het werk van Christoph Ransmayr is verschenen bij uitgeverij Prometheus/Bert Bakker.