Het vastgoed van de herinnering

Het Achterhuis, de Philipstoren, het Van Heutsz-monument. Op sommige plaatsen is de Nederlandse geschiedenis van de grond te scheppen. Na Franse en Duitse herinneringsgeschiedenissen heeft Nederland nu een eigen reeks over `lieux de mémoire'. Heeft men van de buitenlandse voorbeelden geleerd?

Het Achterhuis van Anne Frank voldoet volmaakt aan de opzet van een lieu de mémoire om, door het geheugen te prikkelen, een heel complex van herinneringen en associaties op te roepen. En daarmee het vergeten tegen te gaan. Toch beginnen de vragen en problemen dan eigenlijk pas goed, maar ook dat hoort bij lieux de mémoire. Want Anne Frank en Achterhuis zijn allerminst eenduidige begrippen en staan voor een ingewikkeld fenomeen en voor heel verschillende betekenissen. Enerzijds is het Achterhuis soms bijna synoniem met Auschwitz en Holocaust, metafoor van het ultieme kwaad en daarmee de twintigste eeuw samengevat in een elke tijdsdimensie overstijgende aanduiding. Anderzijds is er het meisje Anne zelf, een gewoon meisje dat een gewoon meisjesdagboek schrijft, zij het in heel ongewone omstandigheden. Juist de herkenning van al die doodnormale huiselijke spanningen maakte het miljoenen lezers van het dagboek mogelijk zich met de schrijfster te identificeren waardoor de Holocaust huiveringwekkend dichtbij werd gebracht. En dan is er de Anne Frank-industrie van instrumentalisering en commercialisering, die overigens – dankzij de indruk die het naar het dagboek gemaakte toneelstuk in Amerika en ook hier maakte – zelf weer heeft bijgedragen tot het behoud van het historische Achterhuis als plaats van herinnering. Ook zijn er nog altijd onopgeloste vragen van schuld en verraad. En soms kleine verrassingen: een stukje film uit Amsterdam-Zuid waarop de jonge Anne te zien is in gelukkiger dagen. Of de paar bladzijden die vader Otto had achtergehouden omdat ze een te pijnlijke herinnering waren aan de spanningen binnen zijn gezin. Wie een bedevaart maakt naar het `moderne Lourdes' aan de Prinsengracht moet kortom vooral aan het denken worden gezet.

Het eerstverschenen deel van de nieuwe Nederlandse reeks `Plaatsen van herinnering', gepresenteerd als pendant van het succesvolle Franse voorbeeld `Les lieux de mémoire' en de Duitse en Italiaanse navolgers daarvan, begint meteen met het Achterhuis, slechts voorzien van luttele bladzijden echte inleiding. De Franse bedenker van het concept Pierre Nora had zijnerzijds tussen 1984 en 1993 heel wat inleidende en verbindende teksten nodig om het uit te leggen en verder te ontwikkelen. Terwijl de delen steeds dikker werden groeide het concept mee. Was bij verschijning van het eerste deel nog sprake van een diepe crisis in het Franse historische besef, de – zowel inhoudelijk als in verkooptermen – succesvolle voltooiing van het project in 1993 leek bijna het bewijs dat die crisis inmiddels was overwonnen. Na 130 beschreven geheugenplaatsen was Le Grand Nora zelf een lieu de mémoire geworden, of zelfs een lieu des lieux, een super-lieu. De Duitse navolgers op hun beurt konden niet helemaal uit de voeten met de wat chauvinistische toonzetting van het Franse project en gingen het concept opnieuw doordenken. En waar de Duitse historische cultuur na de oorlog getekend is door Vergangenheitsbewältigung bleek het hele idee om de geschiedenis aan te spreken langs de omweg van de herinneringscultuur achteraf misschien zelfs geschikter voor Duitsland dan voor Frankrijk.

Afgaande op dit eerste deel, handelend over de twintigste eeuw, heeft de Nederlandse redactie zich niet aan al te veel zelfkwelling overgegeven. Ze heeft echter wel degelijk de nodige keuzes gemaakt, die vooral duidelijk worden bij vergelijking met de buitenlandse reeksen. Het wordt echter grotendeels aan de lezer zelf overgelaten die keuzes te achterhalen. Ik geef ze daarom op eigen gezag en onder voorbehoud, op het gevaar af dat in de drie nog volgende – in de tijd dus vroegere – delen misschien wel andere keuzes zijn gemaakt.

Een belangrijke keuze lijkt me dat bij een plaats van herinnering de Nederlandse stijl tastbaar en zichtbaar moet zijn: je moet die op een kaart kunnen intekenen en op de foto kunnen zetten. Dat is dan ook keurig gebeurd. Maar deze beperking tot het vastgoed van de herinnering, betekent wel een drastische vereenvoudiging en naar ik vrees ook verarming van het oorspronkelijke idee. Daarin kunnen lieux namelijk ook symbolen zijn die staan voor een heel samenstel van associaties en reminiscenties. Grote delen van het Franse voorbeeld en van de in menig opzicht `verbeterde' Duitse tegenhanger worden op deze manier buitenspel gezet. Geen Wilhelmus dus waarschijnlijk, geen Statenbijbel, dikke Van Dale, Ot en Sien, Bos-atlas, nog daargelaten de onvermijdelijke schoolplaten, Nederlands dan wel Nederlands-Indisch. Geen aandacht vermoedelijk voor de Moerdijk als scheiding tussen Noord- en Zuid-Nederland, te vergelijken met de Duitse Weisswurstäquator. Geen plaats ook voor allerlei patronen en rituelen van het dagelijkse leven die misschien de eeuwen hadden getrotseerd maar inmiddels ten offer zijn gevallen aan de moderniteit.

Juist dergelijke thema's raken direct aan wat Nora bedoelde. Het ging hem niet om een rechttoe-rechtaan geschreven geschiedenis, maar om `geschiedenis van de tweede graad', waarin het onderwerp zoals gezegd langs een omweg werd benaderd. Lieu-de-mémoraliser is dan ook een speciale historiografische techniek, een kunstje zullen sommigen zeggen maar in elk geval een vaardigheid die de ene auteur beter ligt dan de andere.

Onder de in dit deel beschreven plaatsen van herinnering zijn er nogal wat waarin de herinnering hoegenaamd geen rol speelt. Daarmee zijn het op zichzelf nog geen slechte stukken. De auteurs zullen juist zijn uitgezocht vanwege hun specifieke deskundigheid op een bepaald terrein. Maar met herinneringscultuur, met die subtiele dialectiek van herinneren en vergeten, hebben ze toch niet zoveel uit te staan. Gelukkig staan daar de nodige bijdragen tegenover waarin de auteur zich met kennelijk plezier op de herinneringsdimensie heeft gestort. Marieke Bloembergen bijvoorbeeld trof in het Amsterdamse Van Heutszmonument een dankbaar onderzoeksobject, omdat het door de jaren heen omgeven was met conflicten en gemaakt werd door een beeldhouwer die met zijn onderwerp niet veel ophad. Het voortdurende gedoe, de ruzies en de toch steeds weer gevonden compromissen blijken een uitstekende invalshoek om de verwerking van het koloniale verleden in de tijd te faseren en zichtbaar te maken.

Dat lieu-de-mémoraliser niet alleen past bij de verwerking van trauma's bewijst Marcel Metze met de Lichttoren in Eindhoven: triomfalistisch symbool van het Philips imperium, maar intussen ook gewoon proeftuin voor de levensduur van gloeilampen. In de bijdrage van Herman de Jong over de impact van het Groningse aardgas worden de modernisering van de Nederlandse energiehuishouding en samenleving vakkundig in kaart gebracht. Tegenover de teloorgang van een knusse kolencultuur staan brede maatschappelijke effecten als het vaker in bad gaan of het op de markt komen van komkommers en paprika's, met goedkoop aardgas gekweekt. Hoogstens spreekt de auteur iets te correct over het gasveld van Slochteren. De grens tussen herinnering en geschiedenis ligt misschien wel daar waar de gasbel een gasveld wordt. Ook het allerlaatste stuk, Hans Wansinks behandeling van Pim Fortuyns Palazzo di Pietro, is geschreven met gevoel voor het concept, waarbij de persoon Fortuyn, het fenomeen en de plek zelf harmonisch in elkaar overvloeien. Daarbij helpt ook de persoonlijke toets die Wansink kan aanbrengen. Hij was één van de Volkskrant-redacteuren die met Fortuyn het beruchte interview van 9 februari 2002 maakten, dat Fortuyns vertrek bij Leefbaar Nederland veroorzaakte en vervolgens de oprichting van de LPF.

Het Nederlandse project heeft een duidelijke meerwaarde boven het Franse bij de behandeling van het koloniale verleden. De eigen expertise van deelredacteur Van den Doel laat zich hier onmiskenbaar voelen. Hij weet zelfs de recente uitspraak van minister Bot dat Nederland bij de dekolonisatie van Indonesië aan de `verkeerde kant van de geschiedenis' heeft gestaan nog een plaats te geven. Bij Nora van zijn kant kwam outremer er maar bekaaid af. Indië is misschien ook wel de dankbaarste lieu de mémoire, in de zin van een verleden dat vrijwel volledig verdwenen is en waarvan alleen de herinnering nog rest. Behalve voor het Van Heutszmonument is hier aandacht voor de Slag in de Javazee, de Birmaspoorlijn en het akkoord van Linggadjati, als might-have-been van een vreedzamer afwikkeling van de dekolonisatie. Wim Manuhutu weet het Molukse drama mooi te koppelen aan het woonoord Lunetten bij Vught. En ook de West wordt niet vergeten, blijkens de ontleding van de Curaçaose revolte van `trinta di mei' 1969 door Gert Oostindie.

Een notoir manco van het Franse project – het Duitse koos hier nadrukkelijk een andere richting – was de afwezigheid van literaire fictie als prikkel voor de herinnering. Gelukkig wordt in dit opzicht wat geschipperd met de eigen keuze voor vastgoed als geheugenplaats. Zo wordt Reves De Avonden wel besproken, zij het dan onder de dekmantel van een bestaand adres – Jozef Israëlskade 116-1, Amsterdam. En ook W.F. Hermans' De tranen der acacia's heeft het tot lieu geschopt, met de Dam als alibi. Daar vielen twee dagen na de Bevrijding enkele tientallen doden en gewonden door Duitse geweersalvo's. Hermans verwerkt die gebeurtenissen in zijn boek en kon hier waarschijnlijk moeilijk gemist worden want zijn debunkende oorlogsherinnering is in deze vroege variant haast alleen in romanvorm te vinden. Maar de combinatie van de Dam met dat ene moment, hoe dramatisch ook, roept op zichzelf wel vraagtekens op. De Dam is immers verbonden met de vroegste geschiedenis van de stad Amsterdam en met tal van hoogte- en dieptepunten nadien (waaronder zeker ook die bizarre schietpartij) en is als zodanig dus een authentieke lieu de mémoire van vele tijden. Dat de middeleeuwse geschiedenis van de stad en het heden elkaar hier op een vanzelfsprekende manier tegenkomen, bewijzen de archeologische vondsten die momenteel bijna dagelijks op het Damrak worden gedaan bij de aanleg van de Noord-Zuidlijn van de metro.

Dit raakt aan het algemenere probleem dat plaatsen van herinnering in dit boek doorgaans worden verbonden met een specifiek moment in de tijd en vervolgens chronologisch gerangschikt (het inleidende Achterhuis is een uitzondering). Als Henk te Velde het Malieveld behandelt, gaat het allereerst om de bekende actie van november 1918, als reactie op Troelstra's mislukte revolutiepoging. Nu weet Te Velde heel goed dat het Malieveld sindsdien het decor is geweest voor tal van manifestaties en demonstraties die voor vele mensen waarschijnlijk meer zullen betekenen dan dat ene moment uit 1918. Bovendien laat hij zien dat de geschiedenis van het Malieveld ook niet in 1918 begint. Toch dwingt die toespitsing op 1918 hem grote delen van dat voor- en naleven te negeren. Dat Hagenaren zich bijvoorbeeld in het midden van de negentiende eeuw nog heel goed herinnerden hoe op het Malieveld de `bordpapieren tempel' had gestaan die was opgericht bij de feestelijke afkondiging van de Bataafse staatsregeling van 1798 blijft hier buiten beschouwing. Maar daarmee ook de leerzame parallel met zijn eigen verhaal dat zowel in 1798 als in 1918 – respectievelijk een hoogtepunt van Bataafs revolutionair sentiment en van juist contrarevolutionair Oranjevermaak – het juichende publiek voor een niet onbelangrijk deel uit katholieken bestond. In Nora's opzet gaat het niet om zulke beslissende momenten – daar had zijn uitgever Gallimard sinds 1959 al een andere succesvolle reeks voor: `Trente journées qui ont fait la France' – maar om plaatsen die soms heel uiteenlopende herinneringen oproepen, afkomstig uit verschillende perioden.

Bij lieux de mémoire gaat het vaak om gemis, verlies en verdwijnen. Dat de lectuur van dit kaleidoscopische werk over Nederland in de twintigste eeuw soms ook zelf gevoelens van gemis oproept is haast onvermijdelijk. Naast 40 wel besproken geheugenplaatsen zal een veelvoud daarvan onbenoemd moeten blijven, gedoemd wellicht tot vergetelheid. Toch zal de afwezigheid van sommige plekken de lezer harder raken dan die van andere. Dat bijvoorbeeld de verzuiling vrijwel ontbreekt zal voor velen betekenen dat de hier gememoreerde twintigste eeuw in elk geval hún twintigste eeuw niet is. Het lijkt zelfs een kleine historiografische revolutie. Nog niet zo lang geleden verkeerde de geschiedschrijving van het moderne Nederland, in elk geval vanaf de Eerste Wereldoorlog tot de jaren zestig, in de ban van de verzuiling. Zelfs zodanig dat de impact van de oorlog – hier prominent en dominant aanwezig – er danig mee gerelativeerd kon worden. De afwezigheid van die vroeger wel eens overbelichte verzuiling in een boek dat de herinneringscultuur tot thema heeft is vrij verrassend. Nora's tweedegraads geschiedschrijving bedoelde immers juist zo'n verdwijnend verleden voor vergetelheid te behoeden. Maar voor het kloosterleven, het missiebusje, de Katholieke Illustratie, het Bisschoppelijk Mandement van 1954 of zelfs de biecht, om me even tot het rijke roomse leven te beperken, is hier geen plaats. Ons twintigste-eeuwse verleden is hier vakkundig ontzuild.

In de hoogtijdagen van de Verzuiling werd ook het verleden wel eens met terugwerkende kracht verzuild. Maar nu dreigt het omgekeerde te gebeuren en wordt haast de suggestie gewekt dat de verzuiling er nooit is geweest. Zo blijkt alle geschiedenis toch weer contemporaine geschiedenis.

Wim van den Doel (red.): Plaatsen van herinnering. Nederland in de twintigste eeuw. Bert Bakker, 558 blz. tot 1 januari €34,95, daarna €39,95

In 1993-94 publiceerde deze krant een reeks artikelen gewijd aan Nederlandse lieux de mémoire. De bundeling daarvan onder de titel `Waar de blanke top der duinen en andere vaderlandse herinneringen' (red. N.C.F. van Sas) werd dit voorjaar herdrukt als Pandorapocket.