Het doet pijn modern te zijn

Bijna op iedere pagina van Orhan Pamuks `Istanbul' staat het woord weemoed. Het gaat de in eigen land aangeklaagde winnaar van de Vredesprijs om het gevoel iets verloren te hebben dat er misschien wel nooit was.

Toen Orhan Pamuk zich afgelopen februari tegenover een Zwitserse krant liet ontvallen dat er in Turkije een miljoen Armeniërs en dertigduizend Koerden zijn vermoord, en dat niemand behalve hij daar iets over durfde te zeggen, deed hij wat hij in zijn romans nog nooit had gedaan: zich expliciet en ondubbelzinnig over de politiek van zijn land uitlaten. Die kribbige woorden waren er duidelijk uitgeflapt op een moment dat het eigenlijke interview al was afgelopen. In Turkije, dat momenteel worstelt met een onzekere toekomst ten opzichte van de Europese Unie en met een onverwerkt verleden ten opzichte van onder meer Armeniërs en Koerden, raakten ze echter een open zenuw.

In latere interviews haastte Pamuk zich te zeggen dat hij het niet over `volkerenmoord' had gehad. Dat terugkrabbelen is geen lafheid zoals de Frankfurter Allgemeine insinueerde, maar een principiële artistieke keuze. Weliswaar heeft Pamuk, een hartstochtelijk pleitbezorger voor Turkse toetreding tot de EU, uitgesproken politieke meningen en snijdt hij in zijn romans gevoelige hedendaagse politieke thema's aan; maar zijn werk is geen politieke propaganda. Zijn politieke engagement behelst niet het stelling nemen voor de ene of tegen de andere partij, maar veeleer het weergeven van vergeten of onderdrukte stemmen.

Pamuks recentste boek, Istanbul. Herinneringen en de stad toont dat hij in zijn romans niet alleen de hedendaagse Turkse politiek tot literatuur wil omsmeden, maar ook zijn eigen jeugd. Daardoor maakt het boek veel duidelijk over wat hem in zijn romans drijft. Pamuk kan onvergetelijk schrijven over veerponten, bruggen, Byzantijnse ruïnes en Ottomaanse paleizen, sloppenwijken en villa's van onbeschilderd hout dat in de loop der jaren tot een karakteristiek zwart is verweerd; toch is hij geen groot stilist. Desondanks is zijn vertaalster, Hanneke van der Heijden, die samen met Margreet Dorleijn ook de meeste van zijn romans vertaalde, er andermaal in geslaagd om zijn soms weerbarstige Turks om te zetten in een Nederlands dat soepel loopt en tegelijkertijd recht doet aan het origineel. Mede door de talrijke sublieme foto's van Aram Güler toont Istanbul een stad die je als toerist niet gauw, en misschien zelfs helemaal nooit, te zien zult krijgen. Het is geen boek om ter plaatse als reisgids te hanteren; veel beter laat het zich achteraf met je eigen herinneringen aan of fantasieën over de stad confronteren.

Kloof

Wat dit boek vooral duidelijk maakt is hoe banaal en nietszeggend de slogans zijn die Pamuk plaatsen tussen Oost en West, of tussen twee culturen of beschavingen: het is de Turkse geschiedenis, niet de Turkse cultuur, die zijn werk verduidelijkt. In Istanbul schrijft hij schamper over westerlingen die het onderscheid tussen Ottomaans verleden en Turks heden zo graag aanzien voor een kloof tussen Oost en West. Istanbul beschrijft niet zomaar Pamuks `eigen' stad of zijn `eigen' cultuur. Daarvoor beschouwt hij zichzelf te veel als vreemdeling. Tegenover zijn eigen bestaan, maar ook ten opzichte van de hedendaagse Turkse realiteit. Zijn vervreemding is niet alleen existentieel maar ook politiek.

Hij probeert iets van Istanbul zichtbaar te maken dat volgens hem noch door eerdere Turkse auteurs, noch door buitenlanders is opgemerkt. Buitenlandse auteurs zoals Nerval, Loti en Flaubert, schrijft hij, staren zich blind op het exotische en pittoreske; lokale chroniqueurs daarentegen zwelgen in misplaatste nostalgie. Beide soorten schrijvers missen volgens hem een cruciaal gegeven: de weemoed waardoor Istanbul al anderhalve eeuw wordt overheerst, en die vooral wordt ingegeven door het besef van het verval en uiteindelijke verdwijnen van het glorieuze Ottomaanse rijk.

Inderdaad hangt deze elegische stemming over het hele boek als een winterse nevel over de Bosporus. Het woord `weemoed' (hüzün in het Turks) verschijnt op vrijwel elke bladzijde. Pamuks weemoed is geen imperiale nostalgie zoals het Nederlandse denken aan Insulinde of het Britse zwelgen in de glorie van de Raj: het is geen verlangen naar vergane macht en rijkdom, maar eerder een gevoel iets verloren te hebben dat je misschien nooit hebt bezeten. Bovendien projecteert hij zijn eigen weemoed op de hele stad, of zelfs de hele cultuur: `weemoed is bijzonder geschikt, niet voor de beschrijving van het als ziekelijk te bestempelen leed van een individu, maar voor de beschrijving van een cultuur, een omgeving en een emotie waar miljoenen mensen mee verbonden zijn'.

Evenmin is deze weemoed een gevoel dat alle Turken bindt: ze wordt niet gedeeld door de nationalistische elites die het Ottomaanse verleden onderdrukken, door de lager opgeleide stadgenoten die het in hun onwetendheid vernielen, of door extreem-rechtse clubjes die het juist mystificeren en verheerlijken. Daardoor heeft de weemoed van Pamuks stadskroniek onvermijdelijk en welbewust een politieke dimensie.

Maar vanwaar die zijdelingse benadering van politieke thema's via beschrijvingen van zichzelf, zijn familie en zijn stad? Hier wordt het klassieke Turkse feuilleton tot een sleutel voor Pamuks eigen oeuvre. Instemmend vermeldt hij het advies van een negentiende-eeuwse feuilletonschrijver: `Als je vanwege de politieke verboden en bekrompenheid geen onderwerp kunt vinden, schrijf dan over de gemeenteproblemen en het stadsleven!' Misschien is het niet toevallig dat romans als Het Zwarte Boek wemelen van de feuilletons en feuilletonauteurs.

Maar lokale chroniqueurs zijn niet Pamuks voornaamste inspiratiebron in Istanbul; veel nadrukkelijker zoekt hij aansluiting bij de grote Europese traditie. Soms doet hij dat op een wel erg zichtbare manier: in zijn omschrijving van de auteur van zijn eigen romans als een dubbelganger hoor je Borges; in zijn passages over en door de straten van de wijk Nisjantasji hoor je Walter Benjamin en James Joyce; in zijn ontmaskering van de illusies van Istanbuls oude rijken en nouveaux riches hoor je Proust.

Zulke echo's wijzen op een van de uitgangspunten van Pamuks schrijverschap, namelijk dat je alleen jezelf kunt zijn of worden door anderen te imiteren; maar misschien drukken ze ook iets wezenlijks uit over het hedendaagse Turkije. De cultuur waarop Pamuks weemoed zich richt is namelijk geen `traditionele' of `oorspronkelijke' Turkse volkstraditie, maar de sterk Frans-geïnspireerde stadscultuur die zich met name onder de voorlaatste Ottomaanse sultan Abdülhamid ontwikkeld heeft, en die verdrongen is door de seculiere nationalistische cultuur van de kemalistische elites. Ook de stadskroniek en het feuilleton zijn moderne Franse genres, geen traditionele Turkse of Ottomaanse vertelwijzen. Even nadrukkelijk verwerpt Pamuk de romantische neiging om de achterbuurten en volkswijken als de belichaming van een zuivere, onbedorven volkse traditie voor te stellen: de bewoners ervan zijn doorgaans recente immigranten.

Gastarbeiders

Istanbul is dus geen zoektocht naar of lofzang op enige `authentieke' Turkse cultuur of couleur locale, maar een elegie op de onherstelbare culturele breuk die het hedendaagse Turkije vertoont met het Ottomaanse verleden. Dat Turkije wordt niet gekenmerkt door enige gemeenschappelijke cultuur, of door een gemeenschappelijke Turkse oorsprong: de tegenstelling tussen de rijke grotestadselite, de plattelandsbevolking en het stadsproletariaat binnen Turkije is minstens zo groot als die tussen autochtone Nederlanders en Turkse gastarbeiders. Het rijke en veelvormige Ottomaanse verleden wordt achteloos vernield of zelfs opzettelijk onderdrukt: veel van de laat-Ottomaanse villa's, paleizen en appartementenblokken zijn in verval geraakt, gesloopt of afgebrand, en zelfs de Ottomaans-Turkse taal, die in Arabisch schrift geschreven werd, is onleesbaar geworden.

Ook de andere talen, religies en tradities van het ooit kosmopolitische Istanbul zijn vandaag de dag goeddeels verdwenen. Omstreeks 1900 bestond de bevolking van de stad voor de helft uit niet-moslims; vandaag de dag zijn dat er nog maar een paar duizend. Pamuk brengt de pogroms tegen Grieken en Armeniërs van de jaren vijftig in herinnering; maar hij benadrukt dat wat hij deze `etnische zuivering' noemt niet het resultaat is van moslimfanatisme of spontane volkswoede, maar van het pijnlijke proces van de vorming van de moderne natiestaat Turkije, die onder meer ook verscheidene omvangrijke en dramatische bevolkingsuitwisselingen tussen Griekenland, Turkije en de andere Balkanstaten met zich meebracht.

Doordat Pamuk dit vergeten en verdreven verleden in herinnering brengt, is zijn boek ook een elegisch protest tegen het opzettelijk verdringen van een kosmopolitisch, multireligieus en veeltalig verleden omwille van een homogene moderne natiestaat. Het brengt de ervaring tot uiting dat Turkije wel degelijk westers en modern is, maar dat het pijn doet om modern te zijn.

Orhan Pamuk: Istanbul. Herinneringen en de stad. Vertaald door Hanneke van der Heijden. De Arbeiderspers, 440 blz. €25,–