God heeft het nakijken

Wat gebeurt er met een kleine katholieke dorpsgemeenschap als er zich een man vestigt met een hazenlip, vuurrood haar en een rode baard? Dan klimt de pastoor op de kansel: `Weest gewaarschuwd, want de grote draak is geworpen, de oude slang, die Duivel en Satan heet, en de ganse wereld verleidt! Hij is, zeg ik u, hij is geworpen op de aarde, en zijn engelen zijn met hem geworpen.'

Nu is er inderdaad reden tot wantrouwen bij de inwoners van Wolfsheim, het Belgische plaatsje in de buurt van het drielandenpunt waar Stefan Brijs zijn nieuwe roman De engelenmaker situeert. Want de zo duivels aandoende man is dokter Victor Hoppe, twintig jaar weggeweest, maar afkomstig uit het dorp zelf. Men fluistert: `Hij is opgegroeid in een gekkenhuis.' En: `Dat had hij van zijn moeder. Die is aan waanzin gestorven.' Of: `Naar het schijnt heeft zijn vader zich... je weet wel... aan de boom naast zijn huis.'

En het heden maakt de dorpelingen nog nieuwsgieriger. Want `Herr Doktor' vestigt zich in het oude huis van zijn familie met zijn kinderen: drie identieke jongens van een paar maanden oud. Maar waar is de moeder? `Die hebben ze nooit gehad' verklaart de dokter als hij, bijna een jaar na zijn aankomst, voor het eerst het dorpscafé bezoekt. Het is ook de gelegenheid waarbij de drie kinderen voor het eerst het huis verlaten; ze blijken een abnormaal groot hoofd te hebben, een hazenlip als hun vader en ze dragen de namen van engelen: Michaël, Gabriël en Rafaël. En zoals het gaat in een dorp, nadat de vreemdeling zich eenmaal in het café heeft gemeld, wordt hij geaccepteerd. Angst slaat om in gefascineerde bewondering.

De dokter opent zijn praktijk, waar de deur wordt platgelopen door dorpelingen die hopen een glimp van de drieling op te vangen. Hij vraagt Charlotte Maenhout, een gepensioneerde onderwijzeres, om op zijn kinderen te passen en later om ze les te geven. Frau Maenhout probeert de dokter te verleiden de kinderen vaker naar buiten te laten gaan, met sporadisch succes. Ze ontdekt al snel dat de kinderen méér mankeert dan een hazenlip: ze zijn doodziek. Bovendien worden ze door hun vader met grote regelmaat aan mysterieuze onderzoeken onderworpen.

In het eerste deel lijkt De engelenmaker een klassiek voorbeeld van een dorpsroman te zijn: een boek dat draait om de verhouding tussen dorp en dokter, met het lot van drie lieve peuters als element dat de boog gespannen houdt. Al op de eerste pagina's zet Brijs je stevig in het leven van Wolfsheim, in het gepraat en geroddel, in de kleine ongemakken en kwinkslagen, de voetballende jongens op het plein en de grote verhalen op de achtergrond. De engelenmaker ademt een Vlaamse sfeer, al lijkt Brijs even allergisch voor dialectinvloeden te zijn als ooit Willem Elsschot: zijn taal is algemeen, beschaafd en Nederlands. En efficiënt: hij schrijft geen zinnen waarvan je in katzwijm valt, maar hij voert je zonder hobbels en pathos door het verhaal.

Als de status quo in het doktershuis na vier jaar met een klap wordt doorbroken, verlegt Brijs zijn aandacht naar de eerste veertig levensjaren van Victor Hoppe. Dan ontstaat een heel andere roman. Hoppe blijkt niet alleen opgegroeid in een gekkenhuis (nu, ja een liefdeloze kloosterafdeling), maar daar opgesloten te zijn geweest omdat zijn moeder hem voor een duivelsjong hield. Hij was een briljant embryoloog, die met zijn motto `soms is wat onmogelijk lijkt, alleen maar moeilijk' grote resultaten boekte, maar die zich niet kon aanpassen aan de wetenschappelijke mores. Hij is een genie met een vorm van wereldvreemdheid dat tegenwoordig het etiket Asperger draagt, een man die zijn zwart-witdenken overal op projecteert tot aan de interne verhoudingen binnen de Heilige Drievuldigheid toe: `Jezus is goed, God is slecht.' De collega die hem complimenteert met de woorden `U heeft God het nakijken gegeven' realiseert zich pas jaren later wat hij daarmee in gang heeft gezet.

De engelenmaker blijkt dan een roman die breder is dan je aanvankelijk denkt. En die nog veel beter is. Als je op pagina 420 aan het einde van Brijs' krachttoer bent beland, realiseer je je pas goed hoe veel deze roman overhoop heeft gehaald. Victor Hoppe blijkt niet zozeer een onderzoeker te zijn, maar vooral een proefpersoon in de grootse literaire proefopstelling van Brijs. Daarbij gaat het de schrijver deels om zaken die in zijn eerdere boeken (zoals Arend) aan de orde kwamen, zoals de gevolgen van mismaaktheid en de afwijzing door een moeder. Hij voegt daar een aantal kwesties over opvoeding en schuldgevoel aan toe, maar uiteindelijk stuit hij op twee grote tegenstellingen: die tussen goed en kwaad en die tussen gek en normaal.

Voor Victor Hoppe liggen die grenzen helder. Hij is mishandeld in naam van de Heer, dus die zal het kwaad wel zijn. Zijn rechtlijnigheid maakt hem een succesvol onderzoeker, maar ook volslagen meedogenloos. Geen enkele stap die hij zet komt voort uit kwade wil, maar toch komt de moraal onherroepelijk tussen de wielen. Dat heeft te maken met een groot vermogen tot abstrahering en een groot gebrek aan empathisch vermogen.

Die combinatie is al vaker beschreven, maar het bijzondere is hoe Brijs die morele kwestie verbindt met een eigenlijk pijnlijk eenvoudige vraag: kun je gek worden zonder irrationeel te worden. Want ook zonder de details van de plot uit de doeken te doen kun je veilig stellen dat Hoppe aan het eind van de roman knettergek is geworden. Maar als je terugleest en terugdenkt aan hoe dat nu zo gekomen is, moet je constateren dat Hoppes gekte weliswaar een religieuze component heeft, maar dat zijn gedachten en daden verder nergens irrationeel zijn. Dat maakt zijn ontsporing uitgesproken aangrijpend. Je eindigt met een gevoel van diepe sympathie voor een man die je menselijkerwijs zou moeten classificeren als een gevaarlijke gek. En dat is het moment waarop je je realiseert hoe veel De engelenmaker op losse schroeven zet. Zoals je wel weet dat er een middenweg zou moeten zijn tussen het aartsconservatisme van de paters in het boek en het huiveringwekkende positivisme van de onderzoeker Hoppe.

De lezer staat niet alleen in zijn gevoel van sympathie voor de hoofdpersoon. Want in de slotscènes van De engelenmaker heeft niet alleen dokter Hoppe voor zichzelf een bestemming gevonden, maar is hij er ook voor het eerst in geslaagd door te dringen tot de harten van zijn dorpsgenoten. Want zijn hele leven is zijn grote angst en frustratie geweest dat hij niet werd geloofd: niet door zijn ouders, die hem voor bezeten hielden, niet door de nonnen die dachten dat hij debiel was, niet door zijn collega's die hem voor een oplichter hielden en niet door Frau Maenhout, die twijfelde aan zijn goede wil. Uiteindelijk komt het geloof uit de hoek waar hij het het minst verwachtte, van de goeddeels irrationele en wispelturige dorpsgemeenschap. Die sluit de man die enkele jaren eerder nog voor de duivel werd gehouden, met liefde in de armen.

Dat die dorpelingen dat op volslagen verkeerde gronden doen, dient alleen nog maar om de rijkdom van Brijs' geweldige roman te benadrukken.

Stefan Brijs: De engelenmaker. Atlas, 432 blz. €19,90