Geef mama haar land terug

`De laatste keer dat hij haar een boek had zien lezen, hield ze het ondersteboven.' Deze laconieke mededeling over een Alzheimerpatiënte is te vinden in Madelon, de nieuwe roman van Kester Freriks. Net als in Koningswens (2001), zijn vorige roman, wordt een van de rollen vervuld door een vrouw die steeds verder verwijderd raakt van de wereld en van iedereen. Na zeven jaar in verzorgingstehuis De Beukenhorst is bovendien het einde nu nabij. Haar familie laat een priester komen, maar ook dan blijft moeder wezenloos voor zich uitkijken. Zoon Harry heeft het er moeilijk mee. Hij wil nog zo graag één keer met haar praten en de mooie band die ze hadden, hersteld zien.

De sceptici zullen hun schouders ophalen over dit vermetele voornemen, want dement is dement, maar Harry gaat driftig aan de slag. Hij besluit een oud voornemen ten uitvoer te brengen en zich te gaan verdiepen in leven en werk van Madelon Székely-Lulofs (1899-1958), ooit de lievelingsschrijfster van zijn moeder. Hun levens lijken op elkaar omdat zij allebei in `het oude Indië' hebben gewoond. Zijn moeder, meent Harry, zou haar hart dan kunnen ophalen aan de verhalen over Székely-Lulofs, die hij haar `woord voor woord' wil gaan vertellen. Op deze manier hoopt hij haar het land terug te geven dat zij, na haar verdwongen vertrek in de jaren vijftig, altijd zo deerlijk heeft moeten missen. Onder deze `vloek van Indië' (een uitdrukking van Székely-Lulofs) zouden alle oud-Indiëgangers gebukt gaan: het gevoel nergens meer helemaal thuis te zijn, omdat een deel van hen in de tropen is achtergebleven. Zelfs Harry heeft er last van, want hij heeft er – net als Freriks – misschien maar vier jaar gewoond, maar zijn wortels liggen er wel. Ook hij wil `de overvloed [...], de warmte en weelde' terugvinden, maar weet dat dat niet kan.

Het is nogal een zware last die Freriks op Harry's schouders laadt: zijn moeder uit haar geestelijke verwarring terughalen, een biografie schrijven en zich daarnaast ook nog eens bezinnen op zijn eigen vaderschap, want hij wordt zich er ineens van bewust dat zijn zeventienjarige dochter volwassen aan het worden is. En dan is er nog Florence, de redactrice van een uitgeverij die hem verleidt en zijn tijd en aandacht opeist.

Uit allerlei bronnen diept Harry materiaal op voor een levensbeschrijving van `Madelon'. Hij wil niet alleen haar `verborgen leven' aan het licht brengen, maar het ook `opnieuw glans' geven. Hij wil haar `laten ademen, praten'. Hij wil, hij wil. Maar wie Madelon uit heeft, kan alleen maar vaststellen dat het niet is gelukt. Er wordt uitgebreid geciteerd uit haar romans en bewaard gebleven brieven, maar daarmee komt de indertijd roemruchte schrijfster van Rubber (1931) nog niet overtuigend in beeld. Zij wordt alleen van de grotendeels al bekende buitenkant belicht: een ambtenaarsdochter en plantersvrouw die jarenlang in Indië leefde en later kleurrijke en avontuurlijke boeken over haar ervaringen zou schrijven, in de hoop daar veel geld mee te verdienen. Er staan aardige weetjes in Madelon over haar twee huwelijken, haar haastige manier van schrijven, de twee zakken met gouden tientjes die ze met moeite de oorlog door wist te loodsen, haar latere verbittering. Maar een ook maar enigszins afgerond beeld van deze schrijfster krijgt men niet.

Het probleem met Madelon is misschien dat Freriks te veel wil. Het boek blijft steken in allerlei veelbelovende aanzetten. Er worden steeds opnieuw plannen ontvouwd, bedoelingen uitgesproken en nieuwe onderzoekingen aangekondigd, maar het resultaat van al die inspanningen krijgen we niet te zien. Madelon blijft een roemruchte schim op de achtergrond, moeders voorbije leven krijgt geen enkele contour en ook de andere vrouwen in Harry's leven komen er wat bekaaid af. Harry mag dan wel de bescheiden achternaam Ternede dragen (anders dan zijn voorganger in Koningswens die Tervuure heette), maar zijn ternederigheid aan allerlei dames is toch minder groot dan hij zelf wel denkt. Veel meer dan over Madelon, moeder Maria, dochter Lydia of minnares Florence komen we over Harry zelf aan de weet, die steeds maar weer de aandacht vestigt op zijn eigen beslommeringen, gevoelens en ervaringen.

Dat maakt Madelon tot een rondzoemend en tamelijk machteloos boek. Omdat de biograaf maar niet over zichzelf heen kan kijken, blijft `het verborgen leven van Madelon Székely-Lulofs' (zoals de ondertitel luidt) ook nu grotendeels verborgen. Wel maakt Freriks, door de veelvuldige citaten, zijn lezers nieuwsgierig naar Rubber, het boek dat in de jaren dertig van de vorige eeuw zoveel stof deed opwaaien. Alleen al in Nederland werden er indertijd enkele honderdduizenden exemplaren van verkocht. Men moet dan wel proberen door de superioriteitswaan van het toenmalige kolonialistische gedachtegoed heen te kijken, dat ook Székely-Lulofs niet onberoerd liet. Dan doemt er een opmerkelijk fris en levendig verhaal op met ontroerende ondertonen, over pionierende Nederlanders die ooit in de tropen belandden en daarna nooit meer helemaal dezelfde zouden zijn.

Kester Freriks: Madelon. Het verborgen leven van Madelon Székely-Lulofs. Conserve, 208 blz. €18,–