Eigenlijk is Anton best stoer

In het laatste deel wordt `Terug tot Ina Damman' vollediger en volwassener. Maar nooit meer zo mooi als in het middendeel. Deze week discussieert de Leesclub over de magie van de liefde

Terug tot Ina Damman gaat niet over de liefde, schreef Elsbeth Etty vorige week op deze plaats. Pardon? Niet over de liefde? Seks speelt inderdaad geen rol in de gevoelens van Anton Wachter voor Ina Damman, maar dat lijkt me voor de vraag of dit boek over de liefde gaat toch geen beslissend argument – wellicht is dat een generatiekwestie.

Ik las Terug tot Ina Damman twintig jaar geleden en voor mij ging de roman alleen maar over de liefde, beginnend op het moment dat Anton alles uit zijn hoofd voelde verdwijnen aan het begin van de eerste schooldag van zijn tweede jaar op de hbs. `Hij geloofde dat ze tegen hem had gelachen, en liep terug om te zien wat voor kleur ogen dat meisje had.' (blz. 88). En eindigend op het moment dat zij hem met een eenvoudig `Ja' toegeeft dat ze genoeg van hem heeft (blz. 173).

Zo heeft het boek zich in mijn geheugen geconserveerd, als de roman die erin slaagde om mijn eigen gevoelsleven als veertienjarige tot in detail bloot te leggen. De verlegenheid en de onzekerheid, de dolle vreugde om een paar minuten naast elkaar rennen na het schaatsen (`,,Als ik er nog maar kom!'' riep ze, met haar haren vochtig en verward om haar gezicht zwierend; zelfs het mutsje zat wat scheef. En hij liep maar, en liep, en voor het eerst kende hij geen angst bij haar. Dit was Ina, een gewoon meisje als alle anderen, alleen de liefste' (blz. 131)) – zó voelt dat.

Vestdijk had in ieder geval bij alle ellende de troost te bieden dat Anton tot Ina wist dóór te dringen; bijna een jaar lang liep hij dagelijks met een meisje naar het station, deze gepeste, verlegen jongen. De grootste verrassing in Terug tot Ina Damman was twintig jaar geleden voor mij dat hij zo voortvarend te werk ging, dat hij binnen de kortste keren op haar af liep en haar schaamteloos zijn liefde durfde te bekennen. Best stoer eigenlijk. En het werd beloond ook.

Waarschijnlijk is voor veel lezers – en zeker de verlegen jongens onder hen – Terug tot Ina Damman een van de oudste en persoonlijkste literaire herinneringen. En een van de minst volledige, blijkt bij herlezing. De pestkoppen op Antons school hadden een vaag spoor achtergelaten. Maar dat Antons akelige eerste jaar een derde van de roman in beslag neemt (`Het woord') was een grote verrassing. En volledig vergeten was het hele derde deel (`De overwinning'), waarin meteen aan het begin Anton gegrepen wordt door een nieuwsgierigheid die `bandelozer' is geworden: `Alleen aan vrouwen wilde hij nog denken, dikke vrouwen, schippersmeiden, meiden, mevrouwen, tantes, boerinnen met zware rokken, lekker lang achter elkaar' (blz. 180).

Het is nogal een bruuske overgang – net als die in het begin van het tweede schooljaar, als de verliefdheid zo hard en plotseling toeslaat. Hoe goed het derde deel ook is geschreven, ook bij herlezing is het niet verbazingwekkend dat het zoveel minder is blijven hangen dan het middendeel van het boek (`Ina Damman'). De verliefdheid (of de mogelijke verliefdheid) op Marie van den Boogaard is zo gewoon: `Men begon met te zeggen: ik ben verliefd, en keek dan naar een meisje uit, zoals men tenslotte bij ieder spel eerst de regels opstelt en de benodigdheden aanschaft, om dan pas de deelnemers bij elkaar te trommelen.' (blz. 225). Het is de ironische distantie die wel een groei naar volwassenheid aangeeft, maar die niet langer de alles absorberende magie heeft van het middendeel. De roman wordt steeds knapper, maar verliest zijn betovering. Hoe veel volwassenenwijsheid er ná pagina 173 ook wordt toegevoegd aan het verhaal van de jeugdliefde, uiteindelijk trek je toch weer naar dat middendeel.

In deel twee maakt Anton kennis met de magie van de liefde, dáár bevindt hij zich een jaar lang in het niemandsland tussen kindertijd en volwassenheid. Hij weet dat wat hij voor Ina voelt te maken heeft met zijn volwassen toekomst, maar hij kan zich daar nog totaal geen beeld van vormen. Het komt nog niet bij hem op om de liefde als een spel te zien. Pas als Ina het uitmaakt begint hem te dagen hoe interactief de liefde zou moeten zijn – en dan is hij zijn onschuld kwijt.

Juist die onschuld maakt Vestdijk meesterlijk zichtbaar, in de eerste twee delen van Terug tot Ina Damman is alles wat met volwassenheid te maken heeft nog in nevelen gehuld; het schoolplein is de aarde, de wereld dat zijn de veertienjarigen. Alle ideeën en obsessies uit de eerste twee delen van de roman zijn nog gespeend van volwassen inzicht. Juist omdat Vestdijk daar nog nauwelijks een volwassen perspectief hanteert, snijdt het boek zo diep in de geest van een veertienjarige. Of van iemand die weleens veertien is geweest.

Eigenlijk is Terug tot Ina Damman (of het deel `Ina Damman') dus een kinderboek. Dat is niet bedoeld als diskwalificatie, maar juist om aan te geven dat het erin slaagt om iets te laten zien wat bijna onmogelijk te tonen is vanuit een volwassener perspectief: hoe een kind zijn onschuld verliest, nog voordat hij wist dat hij die had.

Volgende week in De Leesclub: Atte Jongstra en Ina Damman