Echte helden denken niet na

Aeneis en Andromache, Herakles en Helena moeten weer tot leven komen. De eerste serie van het internationale project `De Mythen' is net verschenen. En, inderdaad, Penelope is een meisje van vlees en bloed geworden.

`Zodra we de mythe aanraken, waaiert die in alle richtingen uit,' schreef Roberto Calasso in De bruiloft van Cadmus en Harmonia (1988). De Italiaanse verhalengoochelaar, die zich sindsdien onder meer stortte op de Indiase religie en de romans van Kafka, was vooral geïnteresseerd in de vele halfvergeten varianten die volgens hem `de bloedsomloop' van de Griekse mythen zijn – de verhalen waarin Ariadne niet de spreekwoordelijke in de steek gelaten vrouw is, maar een landverraadster, en Penelope niet de vleesgeworden kuisheid, maar een wilde deerne die in Odysseus' afwezigheid haar lichaam schenkt aan honderden vrijers.

Calasso's held is Odysseus, de man van duizend verhalen, die zelfs tijdens zijn onvrijwillige verblijf op het eiland van de nimf Calypso niets liever deed dan vertellen over de Trojaanse Oorlog, waaraan hij tien jaar lang had deelgenomen. Met een stokje tekende hij de legerplaatsen en de opstellingen in het zand, tot de zee ze wegvaagde. En, voegt Calasso daaraan toe, `telkens was het verhaal of de manier van vertellen anders'; net als bij alle andere goden- en heldenverhalen die sinds het begin der tijden worden overgeleverd.

Overspel, hoogmoed, verraad, wraak en moord – dat zijn de bouwstenen van de Griekse mythen. Geen wonder dat schrijvers en andere kunstenaars door de eeuwen heen dankbaar geput hebben uit de gruwelcatalogus van Achilles tot Zeus. Vergilius liet zich inspireren door de Ilias en de Odyssee van zijn grote voorbeeld Homerus, en beschreef in het eerste deel van de Aeneis uitgebreid de Val van Troje. De zeventiende-eeuwse toneelschrijver Jean Racine gebruikte tragische vrouwen als Andromache en Phaedra om eeuwige morele kwesties aan te snijden. James Joyce verplaatste de omzwervingen van Odysseus naar groezelig Dublin. De Disney-studio kwam een jaar of acht geleden met een tekenfilm waarin Herakles/Hercules werd afgeschilderd als een superheld die door zijn manager agressief in de markt wordt gezet.

En nu is er `De Mythen', een initiatief van de Schotse uitgeverij Canongate dat met veel kabaal tijdens de laatste Frankfurter Buchmesse werd gepresenteerd. Schrijvers van over de hele wereld – van Chinua Achebe tot Donna Tartt en van Harry Mulisch tot Milton Hatoum – zullen in de komende jaren een bijdrage leveren aan een reeks romans waarin oude mythen opnieuw worden verteld of bewerkt. De drie eerste deeltjes werden afgelopen vrijdag wereldwijd gepresenteerd (in Nederland bij de Bezige Bij): Weight (Zwaarte) van Jeanette Winterson, The Penelopiad van Margaret Atwood en een algemene inleiding van de godsdienstwetenschapper Karen Armstrong. Twee andere deeltjes, De helm van de horror (over Theseus en de Minotaurus) van de Rus Victor Pelevin en De honing van de leeuw (over de bijbelse held Simson) van de Israeliër David Grossman komen binnenkort uit. Zoals Jamie Byng, de uitgever van Canongate, schertsend zei: `Volgens mijn berekening zullen we de honderdste mythe in deze serie op 15 maart 2038 publiceren.'

Het Mythenproject, waarbij 34 uitgeverijen betrokken zijn in evenzovele landen, doet denken aan de `Pocket Canon' van zeven jaar geleden. Om een groot modern publiek te laten kennismaken met de taal en thema's van The Authorised King James Version of the Bible – de bijbelvertaling uit 1611 die `meer dan enig ander werk in de geschiedenis' van invloed is geweest op het hedendaagse Engels – werden de boeken van de bijbel afzonderlijk uitgegeven, voor een meeneemprijs (een pond per stuk), met een voorwoord van een Bekende Wereldburger. Onder de exegeten bevonden zich toen de popster Nick Cave, de Booker Prize-winnares A.S. Byatt, de U2-zanger Bono en de detectiveschrijfster Ruth Rendell. Vooral de literaire feministe Fay Weldon maakte indruk met haar voorwoord bij Paulus' Brief aan de Korinthiërs, waarin ze de seksistische apostel de mantel uitveegde.

Maar De Mythen vergen iets meer van de betrokken auteurs. Niet alleen omdat die niet kunnen volstaan met een paar bladzijden essay en geacht worden om een boek van 160 pagina's aan één of twee mythologische figuren te wijden. Maar ook omdat ze iets wezenlijk nieuws moeten brengen. Hoeveel afgezaagde romans en verhalen zijn er niet geschreven over Penelope, of anders wel over Atlas en Herakles? Het voorbeeld van Gerrit Komrij, die een jaar of twee geleden een weinig geslaagde bewerking van het Hercules-verhaal publiceerde, zal in elk geval de toekomstige Nederlandse mythograaf (identiteit nog onbekend) achter de oren doen krabben.

`Ik wil het verhaal opnieuw vertellen,' luidt de terugkerende zin in Jeanette Wintersons Zwaarte. De schrijfster van The Passion en Sexing the Cherry herinnert er in het voorwoord aan dat haar werk vol staat met bewerkingen. In haar roman over de titaan Atlas en de halfgod Heracles zegt ze te willen `verkennen wat eenzaamheid is, isolement, verantwoordelijkheid [...] en ook wat vrijheid is.' Haar Atlas is dan ook een filosofische ikfiguur, iemand die veroordeeld is tot het op de schouders nemen van de aardbol, maar die – als was hij een symbool voor de Griekse mythologie – beseft dat hij `niet slechts deze wereld draag[t], maar alle mogelijke werelden.'

De Atlas van Winterson, altijd bezig met `grenzen en verlangen', is een tobberige persoonlijkheid, een soort Ijoor uit de verhalen van Winnie-de-Poeh; niet een die in staat is een heel boek te dragen. Vandaar dat zijn verhaal doorsneden wordt met dat van Herakles, zonder twijfel de kleurrijkste figuur die de Griekse oudheid kent. In de klassieke mythen kruisen hun paden elkaar maar één keer, namelijk wanneer Herakles als onderdeel van zijn Twaalf Werken de gouden appels van de Hesperiden, de dochters van Atlas, moet zien te plukken. Hij vraagt of Atlas dat voor hem wil doen, en zal dan zolang de aarde op zijn eigen schouders nemen. Als Atlas terugkeert moet Herakles nog een list verzinnen om te zorgen dat Atlas de wereldbol weer van hem overneemt.

De confrontatie tussen de bedaagde Atlas (`De tijd was mijn Medusa, de tijd veranderde mij in steen') en de woeste Herakles (`Ik was nogal een branieschopper in mijn jeugd – sloeg alles dood, naaide wat er over was en at de rest op') is de kern van Zwaarte. Onder invloed van zijn ontmoeting met Atlas gaat de bruut nadenken over zijn bestaan, `voor het eerst in zijn leven'. Hij `wist niet langer waaróm' en vervalt onder meer in erotische fascinatie voor zijn boze stiefmoeder Hera. En natuurlijk loopt het slecht met hem af, want `echte helden denken niet na'.

Het kleine beetje psychologische ontwikkeling bij Herakles is te mager voor een goede roman. Winterson lijkt dat beseft te hebben, en besloot om tegen het einde van het boek haar eigen eenzame jeugd te vergelijken met die van Atlas en Herakles. Het maakt Zwaarte bepaald niet tot een beter boek, wel warriger. Het zou me niets verbazen als de meeste lezers juist op dat moment denken dat ze beter een ouderwetse hervertelling van de oude mythen hadden kunnen lezen – die van Robert Graves bijvoorbeeld of van het klassieke duo Kleijntjes en Knippenberg (Van goden en helden).

Winterson wilde te veel, ze vond kennelijk dat ze ook in het mythenproject trouw moest blijven aan haar imago als experimenteel prozaschrijfster. Margaret Atwood, die in haar gewone boeken het experiment niet uit de weg gaat, pakt het in Penelope doeltreffender aan. Ook zij verklaart zich geraakt door het verhaal dat ze gekozen heeft – de relatie tussen Odysseus en de vrouw die twintig jaar lang op zijn terugkeer moet wachten – en dan vooral door één detail: het lot van twaalf dienstmeisjes die als straf voor hun collaboratie met de verzamelde uitvreters in het paleis van de afwezige vorst worden opgehangen. In haar voorwoord vraagt Atwood zich af wat `Penelope nou precies in haar schild voerde' en in de roman geeft ze op die vraag een verrassend antwoord.

Atwood laat Penelope zelf het verhaal vertellen en begint bij haar jeugd als koningsdochter in Sparta, waar ze op vijftienjarige leeftijd wordt uitgehuwelijkt aan de kortbenige koning van Ithaca. Odysseus is een prater, iemand die `vrijwel elke gesprekspartner tot samenwerking [kon] overhalen, tot een tweepersoonsplot dat hij persoonlijk had gesmeed.' Penelope bezit het `vermogen om zijn verhalen te appreciëren'. Maar erg veel plezier heeft ze daar niet van, want kort nadat hun zoontje Telemachus is geboren, vertrekt haar man naar Troje. Daarna begint het lange wachten, dat haar beroemd heeft gemaakt. Zoals Penelope, die de moderne lezer toespreekt vanuit de onderwereld, zelf zegt: `Ik werd ingekort tot een verhaal, tot verschillende verhalen, liever gezegd, al waren het niet het soort verhalen dat ik graag over mezelf hoor.'

Het aardige van Penelope is dat Atwood erin geslaagd is om van de ikfiguur een personage van vlees en bloed te maken – een meisje dat zich altijd de mindere voelt van haar mooie nichtje Helena, een moeder die het moeilijk heeft met haar puberende zoon, een cynica die zich na duizenden jaren in de Hades geen illusies meer maakt over de wereld. Haar kijk op de klassieke mythologische figuren is verfrissend: Helena is `wandelend vergif', Menelaos is `een grote hork', Telemachus is gewoon `verwend', en de goden zijn een stelletje sadisten: `Het zijn pestkoppen, allemaal. Ik was een soort zwerfhond, die ze uit leedvermaak met stenen bekogelen, of waarvan ze de staart in brand steken. Ze willen helemaal niet het vet of de beenderen van dieren, het liefst willen ze de mensen zien lijden.'

Waar Atwood ook plezier aan beleeft, zijn spelletjes met de literaire traditie. Ze kondigt in haar voorwoord aan dat ze haar boek heeft opgezet als een klassieke tragedie, waarin de Twaalf Gehangen Dienstmaagden van tijd tot tijd optreden als Grieks koor dat afwisselend spreekt en zingt. En zo worden de hoofdstukken afgesloten met onder meer een touwtjesspringversje, een klaagzang (`wij wilden ook zingen en dansen, wij wilden ook gelukkig zijn'), een zeemanslied (`Kom, hef op de stoere Odysseus de kruik') en een college antropologie-van-de-mythe. De variatie in genres doet denken aan de beroemdste roman waarin het verhaal van Penelope opnieuw werd verteld, Ulysses. Atwood verwijst op een humoristische manier zelfs direct naar Joyce' meesterwerk wanneer ze Penelope laat speculeren over de wonderverhalen die over Odysseus de ronde doen: `Sommigen beweerden dat Odysseus had gevochten met een reusachtige eenogige Cycloop; nee, het was maar een eenogige herbergier geweest [..] Odysseus zou te gast zijn geweest bij een godin op een betoverd eiland [..] nee, zeiden anderen, het was gewoon een dure hoerenkast.'

Er is nog een derde deeltje in de eerste serie Mythen: een `beknopte geschiedenis' van de mythologie door Karen Armstrong, die vooral bekend is door haar boek A History of God. Armstrong beperkt zich niet tot de Griekse mythologie; ze laat zien dat de mens `vanaf het eerste begin [verhalen heeft] bedacht die ons in staat stelden ons leven in een breder kader te plaatsen, die ons een onderliggend patroon lieten zien en ons het gevoel gaven dat het leven betekenis en waarde had.' Maar ze ziet ook een hoger doel. `Net als poëzie en muziek zou mythologie ons in vervoering moeten brengen, zelfs als we de dood voor ogen zien of misschien wanhopig zijn omdat we vrezen vernietigd te worden.' En: `Schrijvers en kunstenaars hebben, meer nog dan religieuze leiders, het vacuüm [dat het verdwijnen van de mythologie uit het geloofsleven heeft achtergelaten] gevuld en geprobeerd ons weer vertrouwd te maken met de mythologische wijsheid van het verleden.'

A hard act to follow noemen de Engelsen dat. Armstrong legt een zware druk op de serie die zij inleidt. Want zelfs de geslaagde bewerking van de Odysseus-en-Penelope-mythe door Atwood is niet `meer' dan een fascinerend en af en toe ontroerend spel met de literaire traditie. De dood houden we er niet mee op een afstand, en het is de vraag in hoeverre Penelope ons vertrouwd maakt met `de mythologische wijsheid van het verleden.' Dat hoeft ook helemaal niet, en op de laatste bladzijde van haar boekje lijkt Armstrong dat gelukkig te beseffen – wanneer ze een vergelijking trekt tussen het lezen van een roman en de traditionele beleving van de mythologie. `Lezen is een oefening in doen-alsof', schrijft ze. `Het brengt ons compassie bij, het vermogen `mee te voelen' met anderen. En net als de mythologie is een belangrijke roman transformerend. Als we er voor openstaan, kan een roman ons voor altijd veranderen.'

Compassie had ik, tenminste met Atwoods Penelope. Transformatie bleef uit. Maar misschien zit er tussen de tientallen `Mythen' die volgen een boek dat me werkelijk verandert. Iedere nacht biedt immers een nieuwe kans op een rozevingerige dageraad.

Karen Armstrong: Mythen. Een geschiedenis. Vertaald door Karina van Santen en Martine Vosmaer. De Bezige Bij, 128 blz. €14,90

Jeanette Winterson: Zwaarte. De mythe van Atlas en Herakles. Vertaald door Maarten Polman. De Bezige Bij, 156 blz. €14,90

Margaret Atwood: Penelope. De mythe van de vrouw van Odysseus. Vertaald door Tjadine Stheeman. De Bezige Bij, 159 blz. €14,90

Rectificatie / Gerectificeerd

In Boeken van 28.10.05 stond dat Mythen van Karen Armstrong vertaald is door Karina van Santen en Martine Vosmaer. Dat is onjuist. Het boek is vertaald door Liesbeth Teixeira de Mattos.