Die hele eeuw was cult

Een `cultversie' van de twintigste eeuw, dat is wat Rob van Scheers in zijn boek De Grote Parade, een verborgen geschiedenis van de twintigste eeuw ons wil voorschotelen. Door middel van dwarsverbanden – een door Luis Buñuel geïnspireerd `verborgen continuüm' zoals Van Scheers uitlegt – wil hij een alternatieve versie van de geschiedenis geven. Johnny Cash en Stalin; Trotski en Frida Kahlo, Václav Havel en Lou Reed: allemaal zijn ze op een bepaalde manier met elkaar verbonden en wanneer je die lijntjes volgt, krijg je een geschiedenis die niet door jaartallen wordt beheerst, maar door anekdotes. Dat is een buitengewoon goed idee, zij het wellicht wat pretentieus. En dat Van Scheers de pretentie niet schuwt, blijkt alleen al uit de titel, die naar een imposante verzameltentoonstelling in het Stedelijk Museum in Amsterdam van ruim twintig jaar geleden verwijst. Ook de ondertitel spreekt wat dat betreft boekdelen en zelfs het omslag is suggestief: dat lijkt met zijn collage van beroemdheden op de hoes van Sgt. Pepper's Lonely Hearts Club Band.

Mensen die een betekenisvolle rol hebben gespeeld in de twintigste eeuw, trekken aan de lezer voorbij. Van Scheers mikt daarbij niet op de grote lijnen van de gecanoniseerde geschiedenis maar op toevallige dwarsverbanden, op kleine kwesties die zomaar grote gevolgen konden hebben en hij rijgt dat alles aaneen met alleen de eigen associatie als leidraad.

Het levert interessante anekdotes op, en ook enkele fraaie essays. Bijvoorbeeld over de strijd tussen Joeri Gagarin en German Titov om als eerste Rus de ruimte ingeschoten te worden of over de muzikale talenten van Hank Williams I en III, terwijl nummer II er een beetje sneu tussenuit valt. Tegelijkertijd bewandelt Van Scheers ondanks zijn `kijk mij nu toch eens verrassend zijn'-toon toch ook heel wat platgetreden paden, zoals die van David Bowie, Madonna en Marlène Dietrich of die van Chaplin en Hitler.

Wanneer je alle verhalen bij elkaar plakt, blijken de keuzes uiteindelijk toch te vrijblijvend. Tolstoj inspireerde Wittgenstein, uit wiens werk weer werd geput door Dr. Spock en Dr. Spock hield weer van Vincent van Gogh. Er is wel een verband, maar de opname in `de grote parade' is in de eerste plaats toch vooral een keuze van Van Scheers en is minder gebaseerd op de betekenis van de desbetreffende deelnemers aan die parade. Ook blijkt dan dat de verborgen geschiedenis van de twintigste eeuw er vooral een van de popcultuur is.

Met zijn pretentie om `een verborgen geschiedenis' te presenteren, bijt Van Scheers zich uiteindelijk in zijn staart. Want, hoe vrijblijvend ook, je kunt het in een boek dat zich voordoet als een geschiedenis van de twintigste eeuw niet maken om George W. Bush via Elvis Presley als een soort witte neger in het Witte Huis neer te zetten.

Het is natuurlijk een stuk minder interessant om `gewoon' een essaybundel te schrijven dan om `een verborgen geschiedenis' te presenteren, maar de aan imponeergedrag lijdende verpakking verhult vergeefs dat De Grote Parade toch niet meer is dan een essaybundel, met geslaagde en minder geslaagde bijdragen. Want voor een ware Grande Parade ontbreken te veel grote namen en te veel belangrijke gebeurtenissen. Terwijl bij Sgt. Pepper alle inspiratiebronnen en ideetjes samenkomen tot een coherent geheel, is die eenheid in Van Scheers' collage ver te zoeken.

Rob van Scheers: De Grote Parade. Een verborgen geschiedenis van de twintigste eeuw. Meulenhoff, 408 blz. €19,95