De depressie die ja zegt tegen het leven

LUZERN/ KRAKAU/ AMSTERDAM. Er was haast bij. Iets in de trant van, wie nu nog niet gelukkig is, zal het nooit meer worden. Ruim vier maanden te gaan, dan was ik vijfendertig. Je moet jezelf een deadline geven. Anders komt het er nooit van. Zoals sommige mensen hun leven lang praten over die ene roman die ze aan het schrijven zijn en die er nooit komt, zo praten anderen over het geluk. Het mocht me niet meer ontlopen.

Toen plannen om naar Oekraïne af te reizen op het laatste moment niet doorgingen, kocht ik een kaartje naar Luzern.

In Luzern woont Veronika Studer. Wie is Veronika Studer? Op 26 juli zat ze naast me in het vliegtuig van Zürich naar New York. Ze knoeide met haar sinaasappelsap en later deelden wij een taxi richting Manhattan. Nu was het moment aangebroken Veronika Studer met een bezoek te vereren. Ik ben geen wolf tussen de lammeren, maar een toerist onder de mensen. Meren, musea, bergen, stranden – niets dan decor. Waar ik werkelijk voor kom is de mens. Om dan vroeg of laat, meestal vroeg, te constateren: je hebt me weer niet gelukkig gemaakt, loeder.

Maar ik neem het ze niet kwalijk. De poging an sich is ook wat waard.

Luzern in de nazomer. De zon, het meer, de bergen. En Veronika Studer had tijd voor me, weliswaar had ze een vriendin uit Bern te logeren, maar die zou ze gewoon meenemen.

Stel je voor dat je helemaal naar Luzern reist en dat mevrouw Studer dan verhuisd blijkt te zijn. Dat risico moet je nemen. Als het om geluk gaat is een uurtje vliegen niets.

Ik moet bekennen dat ik Veronika Studer eerst niet herkende. Pas toen ze pal voor me stond, in de lobby van het hotel waar ik als een hond op de mensen lag te wachten, vielen de herinneringen op hun plaats.

Ik had nog niet gegeten, Veronika en haar vriendin wel, maar ze wilden me gaarne gezelschap houden en dan zelf nog snel een toetje eten.

In het restaurant met uitzicht op het meer begon ik me het treurige verhaal te herinneren dat Veronika Studer mij in het vliegtuig had verteld. Ze was verloofd met een jongen die ze vanaf de middelbare school al hartstochtelijk beminde, maar vlak voor het huwelijk was alles kapotgegaan. Haar grote liefde had haar bedrogen, niet met één, maar met half Bern. Ze was terstond naar de rivier gehold om de verlovingsring daarin te gooien, maar op het laatste moment bedacht ze zich en verkocht de ring terug aan de juwelier.

Van dat geld verhuisde ze naar Luzern, want alles in Bern herinnerde haar aan het smartelijk verlies van de jeugdliefde.

Veronika Studer was een beetje gebroken, maar ik zei: ,,Zij die je breken maken je tot mens. Kijk naar mij, vroeger was ik een wolf tussen de lammeren, nu ben ik zelf het lam.''

Ik geloof niet dat ze dit wenste te begrijpen, daarom concentreerde ik me op de held van Veronika: haar vader, de dierenarts. Zelf was ze ook graag dieren- of veearts geworden, maar omdat ze zich fysiek niet in staat achtte koeien te helpen bij het baren was ze de pr in gegaan.

Een dag na de genoeglijke maar melancholische avond in Luzern – al het genoeglijke is melancholisch – stuurde Veronika Studer mij per e-mail een foto van het dorp waar ze was geboren, alsmede eentje van haar ouders. Over haar vader schreef ze: ,,Tierarzt ist seine Berufung, denn er würde für jede kranke Katze mitten in der Nacht aufstehen um sie gesund zu pflegen.''

Weer een kat. Mijn laatste ex had een kat. Katten waren in mijn leven gekomen, nu volgden de dierenartsen.

Gebrokener dan voor die tijd verliet ik Luzern en vloog naar Krakau.

Op zondagavond om tien uur zou ik voor de Mariakerk aldaar twee meisjes uit Zürich ontmoeten, die ik op 24 augustus in Zürich na afloop van een lezing was tegengekomen.

Na de afspraak elkaar op 9 oktober in Krakau te zien, had ik niets meer van ze gehoord, dus de kansen waren aanzienlijk dat ik van 22.00 uur tot 22.30 voor de Mariakerk zou staan, om dan moederziel alleen in de kou een braadworst te eten.

Hoeveel waanzin heeft de mens nodig? De mens die gelukkig wil worden veel. De mens die ongelukkig wil blijven kan zonder.

Al vanaf half tien paradeerde ik over het grote plein van Krakau, want gelukkig worden is ook een kwestie van op tijd komen.

En klokslag om 22.00 uur verschenen zij uit de mist, Maren en Alice. Ze hadden zelfs bloemen bij zich die ze, beweerden ze, bij de vuilnis hadden gevonden, maar aangezien er nog een lint aan het bloemstuk vastzat, met opdruk en al, leek het me waarschijnlijker dat ze de bloemen van een vers graf hadden gerukt. Alles voor de liefde en de doden hebben er toch niets aan.

Nu hoefde ik niet alleen mijn Poolse braadworst te eten. Ik kon dat samen met Alice en Maren doen, die op een internaat in het Zwitserse stadje Zug hadden gezeten. Zo'n internaat waar rijke ouders hun kinderen naartoe sturen, als er iets mis is met de kinderen of met de ouders.

Na de braadworst werd er wodka gedronken en Alice vertelde dat een Poolse vriend haar had verteld: ,,Die Melancholie ist die Lebensbejahende Depression.''

De depressie die ja zegt tegen het leven. Tegen zo'n depressie zeg ik ja.

Dus sleepten wij elkaar naar mijn hotelkamer en gingen in bad.

Gemoedelijk was het wel, met zijn drieën in bad, hooguit een beetje nauw, we keuvelden over het leven, maar erotisch wilde het niet worden.

Toen het water onze huid had losgeweekt besloot ik het bad te verlaten.

Alles wat in films en boeken vanzelfsprekend gaat, werd hier op de hotelkamer te Krakau een puinhoop. Na een kwartiertje begon Alice, die Russisch bloed heeft, te huilen terwijl ze jammerde: ,,Ik voel me overbodig.''

Niemand mag zich overbodig voelen. De depressie die ja zegt tegen het leven verbiedt dat. Daarom stelde ik de meisjes voor om gewoon te slapen, we waren moe van het bad en de wodka. De slaap zou ons bevrijden van alle overbodigheid.

Maar het snikken ging nog een tijd door.

Toen ik Maren de volgende ochtend vroeg of ze geen last had gehad van het snikken van Alice zei ze: ,,Ik heb mijn gehoorapparaatje uitgezet.''

Dat had ik eerst niet gezien, maar ze had er een.

We wandelden door de joodse buurt en praatten over de gans, die hier een culinaire specialiteit is.

Terug in mijn hotel schreef ik een mail aan de ex met de kat. ,,Zullen we naar Madagascar gaan?'' stelde ik voor. ,,Ik wil je kutje likken.''

Het geluk moet worden gespreid.

Een beetje in Krakau, een beetje in Madagascar.

Daarna vloog ik naar Amsterdam en ik bezocht mijn moeder.

Ze had tomatensoep voor me gemaakt. Terwijl ik die opat, haalde ze een stapeltje met een paperclip bij elkaar gebonden overlijdensadvertenties van de boekenkast. ,,Mijn vrienden'', zei ze, terwijl ze de advertenties een voor een las.

Ik vloog weg, want ik had in het Pulitzer afgesproken met de ex met de kat.

Van Madagascar bleek geen sprake.

Ze was vermagerd en op haar gezicht zat net iets te veel poeder.

Ze bleef herhalen: ,,Ik moet verder.'' Alsof ik niet meer was dan een trein met vertraging. Zij wilde uit die trein.

,,Het gaat goed'', beweerde ze, en hoe vaker ze het zei, hoe moeilijker ik het kon geloven.

Weer een stukje gebrokener dan voorheen keek ik haar na toen ze wegfietste.

In de auto op weg naar Schiphol drong het tot me door wat er ontbrak aan mijn geluk.

Een gehoorapparaat. Als ik dat 's nachts kon uitzetten, hoefde ik net als Maren het snikken van de mensen niet te horen.