Uitweg uit Irak nog ver te zoeken

De media schenken veel aandacht aan de dood van de tweeduizendste Amerikaanse militair in Irak. Toch zal die akelige gebeurtenis op zich waarschijnlijk geen keerpunt worden in het verzet van het publiek tegen de oorlog.

Na dertig maanden strijd heeft de meerderheid van de Amerikanen zich al tegen de oorlog gekeerd. Volgens peilingen vindt 54procent dat de Verenigde Staten een vergissing hebben begaan toen zij troepen naar Irak stuurden. In maart 2003, bij het begin van de oorlog, was dat 24 procent.

Niet een bepaald aantal slachtoffers, maar de gestage roffel van bloedige aanslagen is wat de mensen de lust tot oorlogvoeren beneemt. Zelfs dramatische gebeurtenissen hebben niet altijd veel invloed op de steun voor de zaak.

Vergelijk Irak eens met Vietnam. Het Tet-offensief van 1968, waarbij de Amerikaanse strijdkrachten zware verliezen leden, wekte wel bezorgdheid of het wel goed ging met de oorlog, maar de steun daalde er niet spectaculair door, maar bleef geleidelijk achteruitgaan. In Irak werd de steun iets groter toen Saddam Hussein werd gevangengenomen, en hij zakte weer wat weg ten tijde van de onthullingen over Abu Ghraib. Maar in beide gevallen kwam de steun spoedig weer op de oude koers.

Het ongewone aan deze oorlog is de snelheid waarmee de steun afkalft. Men is blijkbaar veel minder dan in Vietnam het geval was, bereid slachtoffers te accepteren.

Uit vergelijking van enquêtevragen valt op te maken dat het niveau van steun voor deze oorlog bij 2.000 gesneuvelde Amerikaanse militairen ongeveer vergelijkbaar is met die tijdens de oorlog in Vietnam, toen daar al ruim 20.000 doden waren gevallen. Dat is een sterke aanwijzing dat het publiek de urgentie van de toestand in Irak veel lager aanslaat dan indertijd die in Vietnam, een conflict waarvan men althans aanvankelijk aannam dat het van belang was in de strijd tegen het internationale communisme.

De regering-Bush hoopt de dalende trend te keren met optimistische redevoeringen waarin vooruitgang in Irak wordt geclaimd. In de oorlog in Vietnam is dat ook geprobeerd, maar met weinig succes. Het probleem is dat de mensen die altijd al dachten dat de oorlog ,,het niet waard'' was, zich niet laten ompraten, terwijl de mensen die ontgoocheld zijn, zich niet gemakkelijk weer laten overreden. Als je erachter komt dat je voor een auto veel te veel betaald hebt, blijf je het een slechte koop vinden, ook al bevalt de auto op zich goed.

Het afkalven van de publieke steun kan de regering er net zomin van weerhouden de oorlog voort te zetten als de onvrede over Vietnam dat indertijd voor elkaar heeft gekregen, zolang het niet leidt tot actie in het Congres.

Daar komt bij dat, terwijl een daling van het aantal Amerikaanse slachtoffers de steun waarschijnlijk niet zal doen toenemen, zo'n daling misschien, net als bij Vietnam, kan maken dat het publiek minder aandacht schenkt aan het conflict.

Toch was in één belangrijk opzicht de terugtrekking uit Vietnam politiek gezien voor tegenstanders in het Congres veel moeilijker dan bij Irak het geval zou zijn. Noord-Vietnam had ongeveer 500 Amerikaanse gevangenen, en uit Vietnam vertrekken zonder die gevangenen te bevrijden, was politiek ondenkbaar.

Zo'n probleem met krijgsgevangen is er in Irak niet, maar dat wil nog niet zeggen dat het gemakkelijk zal zijn een einde te maken aan deze oorlog.

John Mueller is hoogleraar politicologie aan Ohio State University en auteur van `War, presidents and public opinion'.

© Project Syndicate