Tentsteden voor duizenden evacués

De naderende winter is de grootste vijand van de slachtoffers van de aardbeving in Pakistan. Hulpverleners en het leger zijn verwikkeld in een race tegen de klok; de eerste sneeuw wordt binnen twee weken verwacht.

De achterklep van helikopter gaat open en daar gaan de zakken rijst, meel en medicijnen en een incidentele tent. In enkele minuten hebben Pakistaanse militairen de buik van de helikopter geleegd. Op honderd meter afstand kijken honderden mannen gehurkt toe hoe de hefschroeven van hun enige verbindingslijn met de buitenwereld weer sneller beginnen te draaien en de helikopter laten opstijgen.

In de vallei van Alai maakt het groen van de bomen plaats voor geel en goud. Straks, over een week of twee, zal wit de dominante kleur zijn. Pakken sneeuw van twee meter hoog zijn hier gewoon. Elk jaar brengt de winter het leven in deze vallei zeker vijf tot zes maanden volledig tot stilstand. Zo'n 70.000 tot 80.000 mensen wonen verspreid in de vallei en achter de omliggende bergen op desolate plekken. Kronkelpaadjes voor voetgangers en ezels zijn de enige verbindingsroutes.

Alai ligt in de Battagram-regio in de North-West Frontier Province (NWPF), de noordelijke Pakistaanse provincie tussen Afghanistan en Pakistaans Kashmir. De inwoners zijn Pathanen en zien er uit als Afghanen – in Afghanistan vormen Pathanen de dominante etnische groep. Geen huis is er meer bewoonbaar sinds de aardschokken van 8 oktober. Aanhoudende landverschuivingen hebben de enige toegangsweg tot de vallei hermetisch afgesloten. ,,Wij willen wel weg, maar we kunnen niet. Als de winter komt, zullen we het niet redden. In een tent overleef je de kou en de sneeuw niet'', zegt de twintigjarige Fahad Shen Khan, zoon van een boer uit de vallei.

Fahad Khan zegt het droogjes, maar zijn woorden zijn alarmerend. De Verenigde Naties hebben er al voor gewaarschuwd: als de inwoners van hoger gelegen regio's niet snel worden geëvacueerd, staat ons een nieuwe ramp te wachten en kan het aantal doden als gevolg van de aardbeving door de nakende winter wel eens verdubbelen.

Een nieuwe catastrofe lijkt onvermijdelijk, zo blijkt ook deze week tijdens een bijeenkomst van internationale hulporganisaties in Mansehra, een stadje in NWPF, waarvandaan de hulpverlening voor Battagram en de stad Balakot wordt gecoördineerd. In een zaaltje van het Karakoram Hotel zitten verschillende groepen hulpverleners in kringgesprekken bij elkaar. Capaciteitsopbouw, assessments (taxaties), concepten, strategieën en focus behoren tot het favoriete jargon. Veel aanwezigen dragen hesjes met op de rug namen van organisaties als Caritas, World Vision, Asia Disaster Prepardness Centre of Swiss Humanitairian Aid Unit.

Wijzer geworden door de ervaringen tijdens de hulpverlening na de tsunami eind vorig jaar, waar beraad tussen organisaties vaak ontbrak, wordt er nu veel overlegd. De hulpverleners zijn in zogeheten clusters ingedeeld, waaronder clusters met verantwoordelijkheid voor tenten, sanitaire voorzieningen en water, en bescherming (van vrouwen en kinderen). De vragen die steeds terugkomen: wie doe wat waar, wat is nodig en hoeveel goederen krijgen we binnen en wanneer?

Tijdens het algemene overleg van alle organisaties buldert de stem van Ted Pearn, een look-alike van de Amerikaanse schrijver Ernest Hemingway, door de zaal. Pearn leidt de coördinatie namens UNDAC (United Nations Disaster Assessment and Coordination). Hij zegt: ,,Er zijn nog steeds mensen die verkenningen willen doen, maar daar hebben we helemaal geen tijd meer voor. Het is tijd voor actie, we moeten de werkvloer op.''

Zijn woorden worden onderstreept door generaal Shakeel van het Pakistaanse leger, die na Pearn het woord voert. Shakeel benadrukt nog eens hoe Pakistan de hulp van buitenaf waardeert. Maar zijn boodschap is klip en klaar. Binnen twee dagen moet er in het zaaltje een overzicht hangen waarop staat welke organisaties welke regio's onder hun hoede nemen. De generaal zegt: ,,Ga aan de slag.'' Vooral voor de valleien van Alai en Kagan, op een paar duizend meter hoogte, moet snel een oplossing worden gevonden. ,,Daar wonen meer dan 140.000 mensen en die moeten naar beneden komen, ze moeten worden geëvacueerd. Met helikopters lukt dat niet, dan zijn we een jaar bezig.'' En daarvan hebben we er niet genoeg, zegt Shakeel. ,,We moeten tentsteden opzetten, waarin duizenden mensen terechtkunnen. Als we de bergbewoners hier niets kunnen aanbieden, dan blijven ze daar.''

Hulpverlener Dennis Joseph vreest het ergste. Zijn organisatie, de Church World Service-Pakistan, die mede gefinancierd wordt door het Nederlandse ICCO/Kerk in Actie, is vanaf de eerste dag bezig geweest met het opzetten van kampen voor de slachtoffers van de aardbeving. Volgens hem moeten er meer bulldozers komen om de wegen schoon te vegen. Een lastige klus door de aanhoudende landverschuivingen. ,,Hoe krijg je anders zoveel mensen daar weg? Lopen is een optie, maar niet voor kinderen en ouderen, want het terrein is moeilijk begaanbaar. Veel mensen wonen bovendien op afgelegen toppen, en weten niets van wat er elders gebeurt. Telefoon of televisie is er niet. Als die mensen niet begeleid worden, dan blijven ze wachten en is hun kans op overleven niet groot.''