Onnozelheid van politici en sociale partners

Bij het zeer lezenswaardige artikel `Vijf misvattingen over de Nederlandse economie' van Menno Tamminga (NRC Handelsblad, 15 oktober) staat een rubriek `Twee vragen': 1.Hoeveel besteden Nederlanders nu aan hun oude dag?

2.Hoe groot is het netto financieel vermogen van Nederlandse huishoudens?

Voor experts op sociaal-economisch gebied basisproblematiek, zou je zeggen. Maar de antwoorden van sommige deskundigen zijn absoluut onthutsend.

De minister van Sociale Zaken zelf, De Geus, beantwoordt vraag1 met een 10 miljard te lage schatting, en zegt ,,weet ik niet'' als antwoord op vraag 2. De minister wordt geadviseerd door de SER; met de vertegenwoordigster van de werknemers daarin, mevrouw E.L. Snoey van AbvaKabo FNV, is het echter helemaal treurig gesteld: zij heeft ,,geen flauw idee''(!) over vraag 1 en beantwoordt vraag 2 met een schatting die nog geen 0,5 procent van het werkelijke bedrag is.

De minister wordt gecontroleerd door de Tweede Kamer: de `woordvoerder pensioenen' van de PvdA, de heer Depla, beantwoordt vraag 1 met een 25 procent (20 miljard) te hoge schatting(!), en vraag 2 met een schatting die 500 miljard te laag is.

Ik heb ook een vraag: hoe groot is eigenlijk de competentie en de basale feitenkennis van politici en sociale partners die sociaal-economisch beleid moeten maken en uitvoeren? Ter vergelijking: als je een wegennet wilt aanleggen, wil je dan niet weten hoe groot het beschikbare budget is en hoeveel auto's ervan gebruik zullen maken?

Het is allemaal van een verontrustende onnozelheid, maar het raakt de belasting en premie betalende burger wel, letterlijk en figuurlijk.