Karbonaatje is nu belangrijker dan zaadje

Met de vogelgriep voor de deur is er volop aandacht voor voedselkwaliteit. Aandacht voor de consument past in de permanente strijd van het ministerie van Landbouw om zijn bestaansrecht aan te tonen.

Wie dezer dagen de landbouwwoordvoerders aan het werk ziet bij de begrotingsbehandeling in de Tweede Kamer zou niet denken dat Nederland zich zorgen maakt over de naderende vogelgriep. Op GroenLinks'er Marijke Vos na noemde geen van de Kamerleden de dreigende diercrisis. Toch staat het ministerie van Landbouw deze weken weer in het centrum van de belangstelling. De vogelgriep en de maatregelen die daar tegen worden genomen zorgen voor een continue stroom aan nieuws. Risicokaarten, gedeeltelijke ophokplicht voor hobbydierhouders, vaccinatieplannen, LNV tracht de dreiging af te wenden.

Een grote rol is daarbij weggelegd voor de controleur van de landbouw, de Voedsel- en Warenautoriteit (VWA). Per 1 januari 2006 zal de VWA, nu nog bestaande uit twee agentschappen (de Keuringsdienst van Waren en de Rijksdienst voor de Keuring van Vee en Vlees) als zelfstandige organisatie gaan opereren. De VWA is na een jarenlange strijd tussen de ministeries van Volksgezondheid en Landbouw uiteindelijk bij Landbouw ondergebracht. De beslechting van die strijd ging gepaard met een naamswijziging van het oude ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij in het nieuwe Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

Achter de naamswijziging en het verwerven van de VWA gaat een sluipende herstructurering schuil van een departement dat twee decennia geleden nog werd beschouwd als belangrijkste schakel in de zogenoemde Groene Driehoek. Van een op producenten en dieren gericht departement is LNV de afgelopen jaren veranderd in een op consumenten en voedsel gericht ministerie.

De omslag begon ruim tien jaar geleden toen voor het eerst sinds mensenheugenis een liberaal in plaats van een christen-democraat de leiding kreeg op het departement, de VVD'er Jozias van Aartsen. Hij was geen `boerenminister' en predikte een `paarse' landbouw (gericht op natuurbeheer, kwaliteit en consumenten) in plaats van een groene. `Geholpen' door het uitbreken van de varkenspest in 1997 kondigde hij een vergaande sanering aan van de varkenssector. Van Aartsen had het maatschappelijk tij mee: in tegenstelling tot eerdere veecrises zoals mond- en klauwzeer en de zogenoemde blaasjesziekte speelde de varkenspest zich af onder het oog van de natie. De maatschappelijke verontwaardiging over het massaal electrocuteren van varkens en het ruimen en de destructie van de dode dieren met grote grijpers maakte duidelijk dat de consument betrokken raakte bij het productieproces van zijn bal gehakt.

Toen niet lang daarna ook de gekke koeienziekte (BSE) de kop opstak, die in tegenstelling tot de varkenspest wel gevaarlijk kon zijn voor mensen, werd duidelijk dat niet `het zaadje' maar `het karbonaatje' voortaan centraal moest staan in het landbouwbeleid. Niet het dier, maar de consument kwam op de eerste plaats. Dat leidde er onder meer toe dat de Veterinaire Dienst werd omgevormd tot de Dienst Voedselkwaliteit en Diergezondheid. Landbouweconomen en andere `Wageningers' op het ministerie maken plaats voor algemene economen en gezondheidsexperts. Met de komst van D66'er Laurens Jan Brinkhorst in 1999 werd de omslag nog zichtbaarder. Brinkhorst sprak steevast van ,,het ministerie van Voedsel en Groen''.

Niet alleen het departement maakte sindsdien een omslag door. Ook de sector zelf stapte geleidelijk aan over op de zogenoemde ketenbenadering (waarbij alle stappen in het proces van dier tot vlees geregistreerd worden). Onder druk van de retailers (supermarkten), die de wensen van de consument vertaalden in strengere criteria voor vlees, zuivel, groenten en fruit, pasten de boeren hun productieprocessen aan.

Ook in Brussel drong het belang van de consument en de voedselveiligheid door. Daar werd eind jaren negentig de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid opgericht, die tot taak heeft alle stadia van de voedselproductie en -voorziening te controleren. In Nederland volgde al snel discussie over de oprichting van een eigen Voedsel- en Warenautoriteit (VWA). Directe aanleiding daarvoor was overigens een andere veecrisis, de dioxinekippen (1999). De destijds verantwoordelijke bewindslieden Borst (Volksgezondheid, D66) en staatssecretaris Faber (Landbouw, PvdA) bleken in de eerste dagen van de dioxine-besmetting langs elkaar heen gewerkt te hebben. Onder druk van maatschappelijke organisaties als de consumentenbond werd na veel interne discussie besloten dat zowel Volksgezondheid als Landbouw een rol zouden spelen in die VWA. Er kwam in 2002 een tweehoofdige leiding voor de dienst.

Sinds 2002 regeert het CDA weer en is het ministerie met de komst van minister Veerman (CDA) weer meer een boerendepartement. De ommezwaai van de acht paarse jaren wordt echter niet teruggedraaid, sterker nog, Veerman omarmt de voedselkwaliteit. In de kabinetsformatie is onder druk van het CDA zelfs afgesproken dat Landbouw als enige departement zich verantwoordelijk mag noemen voor de VWA. Volksgezondheid blijft nog wel betrokken, zowel financieel als inhoudelijk, maar Landbouw gaat sinds 2003 formeel over de VWA.

Die laatste stap in de omvorming van productieministerie naar consumptieministerie was een opportunistische, althans, een `Haagse'. Het bestaansrecht van LNV staat bij bijna iedere formatie ter discussie. Door Visserij te schrappen (,,de zeeën zijn toch bijna leeg'', luidt het cynische commentaar van ambtenaren) en Voedselkwaliteit in het vaandel te gaan voeren, hoopt het departement een steviger positie te verwerven en zich onmisbaar te maken in het Haagse krachtenveld.