Japan moet uit isolement komen

Japan moet noch als regionaal vliegdekschip worden gebruikt, noch worden genegeerd, meent Christoph Bertram.

Het lijkt wel of Japan zich in Azië per se wil isoleren. Na een paar maanden waarin premier Junichiro Koizumi ogenschijnlijk streefde naar betere betrekkingen van zijn land met China, heeft zijn vijfde bezoek aan het omstreden heiligdom Yasukuni de gemoederen opnieuw verhit. China en Zuid-Korea zien af van een ontmoeting tussen hun ministers van Buitenlandse Zaken en hun Japanse tegenhanger. Japan heeft eens te meer een kans gemist om nieuw vertrouwen op te bouwen in een deel van de wereld waar, bij afwezigheid van internationale samenwerkingsverbanden, vertrouwen alles is.

De Japanse regering blijft tot vervelens toe beweren dat het heiligdom Yasukuni alle 2,5 miljoen Japanners eert die voor hun land zijn gestorven, niet alleen de 14 die na de Tweede Wereldoorlog als oorlogsmisdadigers zijn veroordeeld. En ook al is er iets te zeggen voor het idee bij veel Japanners dat Zuid-Korea en vooral China de kwestie Yasukuni aangrijpen om de invloed van Japan in het gebied terug te dringen en in te spelen op het sterke nationalisme van hun volk, ze gaan daarmee voorbij aan de kern van de zaak.

Het binnenlandse politieke spel lijkt voor de Japanse leiders namelijk minstens zo belangrijk als voor die van Zuid-Korea of China. Het bezoek van Koizumi aan het heiligdom, officieel gepresenteerd als dat van een privé-burger, was bedoeld om indruk te maken op het Japanse volk, ongeacht de gevolgen in het buitenland.

Maar nu is het land geïsoleerd, en dat heeft zijn uitwerking op het hele evenwicht in het gebied. Het Japanse diplomatieke isolement steunt die Chinese machthebbers die sinds jaar en dag uit zijn op de marginalisering van dat wat economisch en militair nog altijd het machtigste land van Azië is, waarmee andere landen in het gebied dieper in de schaduw van China worden getrokken. Het isolement van Japan vergroot tevens zijn afhankelijkheid van zijn enige bondgenoot, de Verenigde Staten, en ondermijnt de toch al zo geringe kans om in Azië een kader te ontwikkelen waarin toekomstige regionale crises kunnen worden aangepakt in een geest van samenwerking in plaats van confrontatie en wedijver.

Omdat het Japanse isolement niet alleen een zaak voor de Japanners is, behoort het ook in de westerse politiek een rol te spelen. Maar daar is niet bepaald veel van te merken. De Amerikaanse regering lijkt in haar modieuze ongerustheid over de groeiende regionale invloed van China nogal blij te zijn met een Japan dat geen kant op kan, want dat helpt misschien in het evenwicht met China.

De Europeanen hebben helemáál geen Japan-beleid, zelfs geen kortzichtig. Ze zijn alleen maar bezig met de belofte van een almaar groeiende Chinese markt en staan amper stil bij het evenwicht ter plaatse. Ze lijken de mogendheden in het gebied te zien als afzonderlijke eilanden en te denken dat hun gedrag tegen het ene geen politieke consequenties voor de overige heeft.

In plaats van Japan als een regionaal vliegdekschip te gebruiken, zoals de VS proberen, of het land politiek te negeren, zoals de Europeanen doen, dienen beide een nieuwe, strategische aanpak te ontwikkelen – zo mogelijk gezamenlijk.

Het doel moet tweeledig zijn: voorkoming van een botsing van allerhande vormen van nationalisme en bevordering van een kader waarin de belangrijkste landen in het gebied samenwerken en eerbied voor elkaars belangen ontwikkelen. Zo'n kader kan in Azië alleen ontstaan als Japan daar actief bij betrokken is, niet op basis van een Japans isolement.

Natuurlijk moet Japan het voortouw nemen. De Japanse leiders moeten inzien dat de achteloosheid waarmee ze nog altijd omgaan met de gevoeligheden van samenlevingen die in de twintigste eeuw onder het Japanse imperialisme hebben geleden niet alleen moreel bot maar ook strategisch schadelijk is.

Vrienden uit het buitenland kunnen daarom bij dit proces behulpzaam zijn door te zorgen dat Japan zich niet alleen voelt. Een actieve betrokkenheid van het Westen moet – voor zijn eigen geloofwaardigheid in Azië – duidelijk maken dat de Japanse toekomst afhangt van het vertrouwen dat het land in het gebied weet te verwerven. Waarmee het Westen overigens allerminst de Japanse ongevoeligheid vergoelijkt.

Dit is niet te veel gevraagd. Tenslotte is Japan in de Koude Oorlog een halve eeuw lang een politieke bondgenoot geweest. In een deel van de wereld waar langzaamaan de democratie in opkomst is, kan Japan op stevige democratische tradities en instituties bogen. Zijn economische invloed is nog altijd geducht en zijn commerciële en culturele banden met het Westen zijn omvangrijk en veelsoortig. Japan mag decennialang zijn teruggeschrokken voor een aandeel in de internationale ordehandhaving, maar het beseft inmiddels steeds meer zijn internationale verantwoordelijkheid.

Voor hen die evenwicht in Azië willen, dient het belang van nauwe banden met Japan vanzelf te spreken.

Christoph Bertram is oud-directeur van de Berlijnse Stiftung Wissenschaft und Politik en op dit moment verbonden aan de Johns Hopkins-universiteit.

© Project Syndicate