Bijstandsmoeders zijn dom en lui

Het is verbijsterend dat bijstandsmoeders het vanzelfsprekend vinden dat de samenleving opdraait voor de kosten van hun onderhoud en voor die van hun kinderen, meent Jolande Withuis.

Onthutsend, onthullend én voer voor sociologen – zo mogen we de drie interviews met bijstandmoeders in deze krant van 20 oktober wel noemen. Onthutsend, om de vanzelfsprekendheid waarmee deze vrouwen vinden dat er voor hen en hun kinderen moet worden gezorgd, is het niet door een man dan maar door de collectieve medemens. Onthullend vanwege redeneringen waarmee zij die comfortabele levenshouding legitimeren.

Eén uitdrukking drong zich bij lezing direct op: ,,de gemoedsrust van de verzorgingsstaat''. Met die terminologie karakteriseerden in 1983 de sociologen Bram van Stolk en Cas Wouters hun observatie, dat van huis weggelopen vrouwen zich tijdens hun verblijf in een crisiscentrum generlei zorgen maakten over hun financiële toekomst. Het sprak voor die – mishandelde – vrouwen vanzelf dat de staat als kostwinner optrad. Nu is dat wel invoelbaar in het geval van mensen die net een levensbedreigende situatie zijn ontvlucht, maar blijkens de interviews heeft deze gemoedsrust zich inmiddels verbreid.

Er zijn meer verschillen die maken dat de geventileerde opvattingen ergernis wekken. De Bijstandswet (van 1965) bood tijdelijke noodopvang aan verlaten vrouwen die waren opgegroeid in de benepen jaren dat van meisjes weinig anders werd verwacht dan een kostwinner aan de haak te slaan. Als vrouwen al niet bij hun huwelijk werden ontslagen, dan moesten ze toch bij zwangerschap ophouden met werken. Weinig vrouwen genoten voldoende opleiding voor een financieel onafhankelijk bestaan; de salarissen waren laag, ze kregen geen pensioen, kinderopvang ontbrak.

De nu geïnterviewde vrouwen daarentegen hadden beter kunnen weten. Zij hadden kansen, banen en de pil, en zijn er onafgebroken op gewezen dat een slimme meid op haar toekomst moet zijn voorbereid. Maar nee, tot op de dag van vandaag kun je van die superieur getoonzette gesprekjes lezen met niet-werkende moeders die nuffig verklaren dat mensen ,,moeten mogen kiezen en dat zij en haar man er samen voor hebben gekozen dat zij thuis blijft om voor de kinderen te zorgen, want dat is voor de kinderen toch maar het beste''. Ai, denk je dan, hoogmoed komt voor de val. Hoogmoed, om de veronderstelling dat hun de tegenslag van anderen bespaard zal blijven: verlating, ziekte, dood. Hoogmoed ook om hun minachting voor werkende ouders. En val, omdat hun kinderen nu in relatieve armoede opgroeien met het impliciete voorbeeld dat een mens niet verantwoordelijk is voor haar eigen inkomen. (En dan zwijg ik nog van de gegeneraliseerde mannenhaat die dit soort omstandigheden meebrengt.)

Voor werken voelen alledrie de geïnterviewden zich te goed. De één wil eerst doorleren voor een ,,serieuze baan met perspectief'', want ze heeft zes kinderen te verzorgen. Maar had u zo'n vak niet moeten leren, mevrouw, voordat u deze stoet ter wereld bracht? Bovendien zou ze met een baan ,,om half zeven nog moeten koken''. Maar dat moeten we allemaal, mevrouw; zo verdienen we uw uitkering. De ander, die haar baan opzegde en verkoos manloos drie kinderen te krijgen, wil alleen werken voor een `topsalaris', en niet in de kinderopvang, want ze heeft ,,meer in haar mars'' en wordt thuis al ,,bedolven'' onder het grut. Geen probleem, mevrouw, in de naschoolse opvang moeten ook administratie en afwas worden gedaan en vloeren gedweild en de ouderenzorg kan ook hulp gebruiken. Nummer 3 nam eveneens zelf ontslag en klaagt nu dat werkgevers haar te oud en te duur vinden. Maar dat is precies waarom het altijd wordt afgeraden om `tijdelijk' met werken te stoppen; dat risico heeft u vrijwillig genomen, mevrouw. Deze ex-secretaresse kan niet werken, omdat ze haar kinderen naar school wil brengen.

Hun werkvijandige houding kan niet alleen deze drie vrouwen worden verweten. In Nederland wordt het mannelijke kostwinnerschap nog steeds niet als een antiquiteit gezien – zeker door mannen niet – en is de samenleving nog altijd niet ingericht op werkende individuen. Een van de vrouwen vraagt zich af waarom moederschap niet wordt beloond met een ,,passend salaris''. Het antwoord is eenvoudig: de samenleving heeft om die kinderen niet gevraagd. En dat is maar goed ook, want als moeder zijn werd betaald uit de publieke middelen, mocht de overheid zich ook bemoeien met wie wanneer hoeveel kinderen mag krijgen – en zo'n totalitair systeem is echt veel erger dan werken.

Dr. Jolande Withuis is socioloog en columnist van Opzij.