2 november

Onlangs overviel me een gevoel van paniek: straks was het weer 2 november en ik had de vorige 2 november nog niet eens beleefd!

Vorig jaar, toen Theo van Gogh vermoord werd, zat ik in de Verenigde Staten. Na terugkomst probeerde ik mijn achterstand met veel kranten en gesprekken in te halen, maar De Dag zélf bleef gehuld in een waas van emoties die niet meer bereikbaar waren.

Een poos later gaf een vriendin me een videoband met de belangrijkste opnamen van die dag. Daar stond het allemaal op: de snelle berichtgeving van het NOS Journaal, de eerste ooggetuigen, de persconferenties, een talkshow en het live-verslag van de lawaaidemonstratie op de Dam.

Ik had er lange tijd geen zin in. Waar was het nog goed voor? Alles leek gezegd en geschreven. Maar deze week was het nu of nooit. Ik sloot de gordijnen, schoof de band in de video en liet me terugdrijven in de tijd.

En daar stond Gerri Eickhof, in alle vroegte op de Linnaeusstraat. Hij wist nog niet veel, maar wat hij wist was erg genoeg. Kalm en terzake deed hij verslag, en zijn samenvattende commentaar na een halfuurtje staat een jaar later nog steeds als een huis: ,,Hoe iemand ook provoceert, hier heerst heel sterk het gevoel: dit had nooit mogen gebeuren.''

Toen kwam de parade der autoriteiten op gang. Ze moesten allemaal hun zegje doen, en ze deden dat, hoe overdonderd ze ook waren, opvallend goed: van Balkenende tot Van Aartsen. Donner kwam moeizaam op gang (,,Ik heb begrepen dat de heer Van Gogh vermoord is''), maar zijn afronding mocht er zijn: ,,Als het deze consequenties heeft wanneer mensen vorm geven aan hun mening, dan is er hier niet meer behoorlijk te leven.''

De beste was Job Cohen, in aanmerking genomen dat voor hem de moeilijkheidsgraad het hoogst was. Hij was geëmotioneerd (,,Woede, afschuw en verbijstering''), maar altijd beheerst en hij trof steeds de juiste toon. Hij wist tevoren: wat hij ook deed, het was nooit goed of het deugde niet, althans, in de ogen van zijn tegenstanders. Dat is nog steeds zo. Als hij een plek vraagt in de rouwrituelen rond Van Gogh, krijgt hij het verwijt dat hij een ijdele autoriteit is, die partijpolitiek bedrijft. Trekt hij zich terug, dan zal hij van onverschilligheid worden beticht.

Hij heeft altijd een hekel gehad aan Van Gogh, zeggen zijn tegenstanders. Maar het was andersom, de afkeer begon bij Van Gogh, niet bij Cohen. Van Gogh heeft hem jarenlang op zijn website uitgescholden (,,NSB'er'') en zelfs tot in zijn privé-leven belasterd. Cohen heeft daar niet op gereageerd, hij heeft nooit enige rancune ten opzichte van Van Gogh getoond.

Nee, dan Rita. Ook nu nog, een jaar later, zat ik met gekromde tenen naar haar toespraak op de Dam te luisteren. De bijna militaire verbetenheid, het pathetische effectbejag (,,Theo zei: Rita hou je rug recht!, maar ook: denk om jezelf en de mensen!'') en de triomfantelijke vermelding van ,,de Marokkaans-Nederlandse verdachte'' – vergelijk het eens met de terughoudendheid van de Engelse autoriteiten na de aanslagen in Londen.

Ik kon 2 november eindelijk opbergen, nou ja, als videoband.