Het nieuws van 27 oktober 2005

Hulp voor bedreigde zeldzame boomsoorten

Staatsbosbeheer en het ministerie LNV zijn de enige die belangstellen in Bronnen Bomen, de particuliere instelling die onze zeldzame boomsoorten door kweek voor uitsterven wil behoeden (NRC Handelsblad, 17 oktober). Voorbeeldig dat de overheid begaan is met het lot van de oorspronkelijke natuur, schandelijk dat Natuurmonumenten in het artikel niet eens genoemd kán worden. Want hoe bizar ook, deze vereniging doet bitter weinig tot behoud van de vijftig (zeer) zeldzame houtgewassen. De meeste inheemse bomen en struiken zijn nu aangeplant met zaaigoed, vaak afkomstig uit het verre buitenland; autochtone herkomst is daarbij een zeldzaamheid. Natuurmonumenten maakt graag propaganda met de reconstructie van het laatste `oerbos' bij Beekbergen dat in 1871 werd gekapt. Op een boomfeestdag liet Natuurmonumenten enige autochtone bomen planten, maar dat was louter symbolisch bedoeld. Andere achterblijvers zijn het Wereld Natuur Fonds en de stichting Ark. Deze beheren samen projecten langs de grote rivieren. Zij willen uit principe niets van aanplant weten en kennen aan spontaniteit in de natuur de allerhoogste prioriteit toe. Natuurlijk gaat het óók daarom, maar hun discriminatie in het scheppen van de natuurlijke randvoorwaarden is raadselachtig. Waarom wel het graven van zijgeulen en het uitzetten van aaibare bevers, maar niet het stimuleren van de inheemse bomen en heesters die het oorspronkelijke casco van het landschap vormden? Deze clubs zijn door hun laat-maar-waaien mentaliteit regelrecht in strijd met de regels van het IUCN en het Biodiversiteitsverdrag, die actieve restauratie van bedreigde autochtone soorten als natuurbehoudsnorm hanteren.

Michelangelo

In het Teylers Museum is een uniek overzicht te zien van 89 bladen van Michelangelo (1475-1564). Ze zijn afkomstig uit het British Museum in Londen (initiatiefnemer), het Ashmolean Museum in Oxford en de verzameling van Teylers zelf. Het is voor het eerst dat zoveel bladen van Michelangelo zijn samengebracht. De meeste zijn voorstudies van bekende beeldhouwwerken en van bouw- en schilderopdrachten in Rome en Florence. De drie collecties vullen elkaar volmaakt aan. Zo is alles wat bewaard is gebleven aan studies voor de schildering van het Laatste Oordeel in de Sixtijnse Kapel nu bijeen. De studie van de schepping van Adam uit het British Museum hangt naast een blad met schetsen van de uitgestrekte arm van God uit het Teylers Museum. Het bijzondere is dat de beschouwer een overzicht krijgt van het oeuvre en van de artistieke ontwikkeling van Michelangelo. Dit is normaal gesproken onmogelijk. Zijn werk bestaat immers grotendeels uit fresco's, sculpturen en gebouwen. Michelangelo moet vele duizenden tekeningen hebben gemaakt. De tekening had in zijn tijd nog niet de status van zelfstandig kunstwerk. Iedere opdracht begon met schetsen, de primi pensieri, de èerste gedachten'. Hiermee ging Michelangelo door tot de compositie van het schilderij, beeld of gebouw vaststond. Op de expositie is goed te zien hoe Michelangelo zijn stijl ontwikkelde van een harde, analytische manier van tekenen naar een soort doezelige zachtheid, die gepaard gaat met een verinnerlijking van zijn thematiek.