Hang een briefje bij de lift: `neem de trap'

Het is moeilijk meer Nederlanders meer te laten bewegen. Staatssecretaris Clémence Ross-van Dorp (Sport) legt zich niet bij dat gegeven neer.

Nu zestig procent van de Nederlandse bevolking voldoende beweegt, is de grens bijna bereikt. Een marginaal aantal zal nog tot extra lichamelijke inspanning zijn te verleiden, omdat de groep passieven deels niet wil en deels niet kan bewegen. Maar staatssecretaris van Sport Clémence Ross-van Dorp legt zich niet neer bij de bereikte score en wil in 2010 minstens vijf procentpunt progressie hebben geboekt door zich vooral te richten op jeugdigen.

Zij voelt zich daarin gesteund door uitkomsten van een onderzoek door het onderzoeksinstituut TNO en het Rijksinstituut van Volksgezondheid en Milieu (RIVM) dat haar gisteren werd aangeboden en waarin wordt aangetoond dat de rek er nog niet helemaal uit is.

De staatssecretaris komt binnenkort met een Nationaal Actieplan Sport en Bewegen. Ross-van Dorp: ,,Tegenover de veertig procent volwassenen staat dat 75 procent van de jongeren niet beweegt. Dat probleem wil ik aanpakken.''

RIVM-directeur Marc Sprenger erkent dat de marges steeds kleiner worden, maar benadrukt dat een lichte stijging van het aantal mensen dat voldoende beweegt al tot aanzienlijke effecten op de gezondheid van de bevolking leidt. Uit het onderzoek blijkt dat een jaarlijkse investering in bewegingsprogramma's van zes euro per hoofd van de bevolking 35.000 minder gevallen van hart- en vaatziekten, 38.000 gevallen minder diabetes en 5.000 minder kankerpatiënten tot gevolg heeft. Bovendien zou het percentage mensen met overgewicht met één tot drie procent dalen.

Het onderzoek van het RIVM wees uit dat vooral kleinschalige projecten effect sorteren. Het rapport adviseert daarvoor een investering van bijna 470 miljoen euro. Relatief veel geld, dat volgens de onderzoekers wordt terugverdiend met een gelijke besparing op de ziektekosten.

Om het inactieve deel van de bevolking aan te spreken, moet volgens Sprenger het begrip bewegen zo min mogelijk met sport worden geassocieerd; dat wekt bij die categorie weerstand op. Hij bepleit meer aandacht voor de directe leefomgeving en dringt aan op simpele oplossingen als meer lopen, meer fietsen en vaker de trap gebruiken. Volgens het rapport kan dat eenvoudig door bijvoorbeeld op het werk bij de lift een briefje op te hangen, dat traplopen een gezond alternatief is. Ross-van Dorp ziet wel wat in zulke kleinschalige acties, hoewel haar ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) een slecht voorbeeld is door het ontbreken van trappen; de ambtenaren kunnen hun werkplek in het moderne kantoorgebouw aan het Parnassusplein in Den Haag alleen per roltrap en lift bereiken.

Het onderzoek van RIVM en TNO wijst uit dat naast de jongeren nog vijf bevolkingsgroepen slecht worden bereikt als het om bewegen gaat: ouderen vanaf 65 jaar, mensen met een lage opleiding, niet werkenden of mensen met een zittend beroep, mensen die niet aan sport doen en mensen met een langdurige aandoening. Zij behoren tot de acht procent van de bevolking die inactief is, een percentage dat de laatste vier jaar met één procentpunt is afgenomen.

Om te voldoen aan de norm van verantwoord bewegen hanteert het ministerie van VWS drie criteria. De laagste is de Nederlandse Norm Gezond Bewegen (NNGB), waarvoor minstens vijf dagen per week dertig minuten matig inspannende activiteit verricht moet worden. In 2004 voldeed vijftig procent van de bevolking aan die richtlijn. Dan is er de fitnorm, die uitgaat van driemaal per week 20 minuten inspannende lichaamsbeweging. Dat werd vorig jaar gehaald door 23,9 procent van de bevolking.

Het percentage Nederlanders dat vervolgens aan een combinatie van die twee normen voldoet is 59,6 procent.