Europese leiders moeten knopen doorhakken

Na het `nee' in Frankrijk en Nederland wordt in Europa vooral nagedacht. De prijs die daarvoor wordt betaald is hoog, want niet kiezen voor actie betekent stilstand, betoogt Wynold Verwey.

De interne markt moet vervolmaakt worden en het dienstenverkeer geliberaliseerd

Reflectie: dit woord lag op veler lippen na het `nee' in Frankrijk en Nederland tegen de Europese Grondwet. Donderdag zal tijdens een informele top van staatshoofden en regeringsleiders in Hampton Court bij Londen dus heftig gereflecteerd worden. Over het sociale model van Europa bijvoorbeeld. Om na een uur te beseffen dat de sociaal-culturele verscheidenheid van de EU een eensluidende opvatting over zo'n model in de weg staat. Daarom zal de discussie zich, bij gebrek aan beter, `spontaan' verleggen naar bekende oorlogsgebieden als handelspolitiek, liberalisering van het dienstenverkeer en alles wat met de Europese begroting te maken heeft.

De prijs die voor al dit gereflecteer betaald wordt, is hoog en stijgt onrustbarend. Want door bewust niet te kiezen voor actie en snelheid, geeft de EU onvoldoende blijk van sense of urgency - een onmisbaar ingrediënt bij pogingen de aangetaste geloofwaardigheid te herstellen. Een kind weet dat de EU zich in een diepe crisis bevindt, alleen de politiek-ambtelijke macht schijnt dat niet te zien.

Op institutioneel gebied staat de EU na het `nee' met lege handen. Bovendien is de toetreding van Turkije een luid tikkende tijdbom die trillend van hand tot hand gaat. Dichter bij huis is het symptoom van de Europese crisis de slechte toestand van de economie: 19 miljoen mensen zitten zonder werk, in de 15 oude lidstaten `groeit' de economie gemiddeld met 0,4 procent, terwijl de jeugdwerkloosheid in de tien nieuwe lidstaten 19 procent bedraagt. Voldoende redenen dus voor staatshoofden en regeringsleiders om een sense of urgency uit te stralen - en er naar te handelen. Geen van beide gebeurt.

En dat terwijl de EU zonder dralen de interne markt moet vervolmaken (de goedkeuringsprocedure voor een Becelproduct duurt binnen de EU 11 keer langer dan daarbuiten), waaronder de liberalisering van het dienstenverkeer (geschat resultaat: 33 miljard euro outputstijging en ruim een half miljoen banen per jaar), een effectieve concurrentiepolitiek en een evenwichtig milieubeleid.

Dan zijn er nog twee gebieden waar de EU-lidstaten met geen mogelijkheid zelfstandig kunnen opereren: de handelspolitiek (alles wat te maken heeft met vermindering van exportsubsidies, importheffingen) en veiligheid.

Maar er is meer: op het gebied van onderzoek en ontwikkeling en waar het gaat om flexibilisering van de arbeidsmarkten moet de EU voorwaardenscheppend te werk gaan. Helaas, de nervositeit binnen de Europese instellingen over deze onderwerpen is groot. Met betrekking tot onderzoek en ontwikkeling wordt verwacht dat China de EU in 2009 heeft ingehaald, gemeten in het percentage van het bruto nationaal product dat aan dat soort bestedingen wordt uitgegeven. Daarom zijn er steeds meer pleidooien voor een verschuiving van de landbouwsubsidies naar onderzoek. Dat klinkt mooi, maar er wordt mee verdoezeld dat investeringen in onderzoek veel meer worden gehinderd door beschermende regelgeving dan door gebrek aan subsidies. Hier zouden de afzonderlijke lidstaten zelf de hand aan de ploeg moeten slaan in plaats van hun problemen in de schoot van de EU te deponeren. De EU kan zich dan nuttig maken door de betrokkenen om de tafel te halen en afspraken af te dwingen die de speelruimte vergroten.

Hetzelfde geldt voor flexibilisering van de arbeidsmarkten. De rigide Duitse winkelsluitingswetten zijn een Duits probleem. Dat Portugal voorschrijft dat per functie een minimum aantal mensen in bijvoorbeeld de hotels moet werken, is een Portugees probleem waarmee de EU an sich niets te maken heeft. Wel kan de EU die landen onder druk zetten, maar veel meer zit er niet in.

Bovenstaande prioriteitsstelling kan alleen draagvlak krijgen als het wetgevend proces drastisch wordt verbeterd en de communicatie wordt aangepakt. Van die twee ligt het communicatiebeleid het gevoeligst. De verantwoordelijke daarvoor binnen de Europese Commissie, de Zweedse Margot Wallström, heeft tot nu heel weinig laten zien. Communiceren in een periode van reflectie is geen ideale combinatie. Wallström is niet veel verder gekomen dan het niveau van een provinciaals prbureau: houd de voorlichtingsbureaus langer open, goodwillambassadeurs zoals bij de VN, een Europese rondetafelconferentie over democratie, enz. Allemaal nice to have, maar nergens need to have en al helemaal niet geloofwaardig. Nog één stap en we zijn bij het Europese volkslied. Een fundamenteler voorstel van Wallström is het betrekken van Europese commissarissen bij debatten in nationale parlementen. Uit hoofde van de noodzaak het debat doorzichtig te maken, is dit bitter noodzakelijk. Geef hun een standing invitation. Waarom kan in de Tweede Kamer niet een rijtje banken worden vrijgehouden voor Europese commissarissen, die op uitnodiging van de voorzitter het woord kunnen voeren? Het Europees Parlement heeft hier al decennia goede ervaringen mee.

Een andere mogelijkheid is uitbreiding van het Europese initiatiefrecht (nu exclusief bij de Europese Commissie) met het Europees Parlement. In combinatie met het herstel van het dubbelmandaat (een lid van het Europees Parlement wordt qualitate qua ook lid van de Eerste Kamer) is de kruisbestuiving tussen bijvoorbeeld Nederland en de EU een feit. En indien Europese commissarissen op gezette tijden in aanwezigheid van de nationale europarlementariërs in het nationale parlement verslag komen uitbrengen over de voortgang van de prioriteitenlijst, wordt Europa veel tastbaarder.

Aan de reflectieperiode na het `nee' over de Europese Grondwet moet snel een einde komen. De angst om knopen door te hakken past ware leiders niet. Intussen moeten de Europese commissarissen en de europarlementariërs onder de Brusselse kaasstolp weggehaald worden en de boer op gestuurd worden. Zo kan Europa voor de lidstaten gaan werken en niet andersom.

Wynold Verwey is lobbyist voor ondernemingen bij de Europese instellingen in Brussel.