Een actieve weduwe

Rommie Kuindersma is 70 en als je een afspraak met haar wilt haalt ze (wacht even) haar agenda erbij. Ze doet Engels, ze doet Italiaans, ze doet yoga, ze zwemt, ze doet het huis en de tuin en op vrijdagmorgen doet ze boodschappen met een mevrouw van 84. Verder zijn er kinderen (drie) en kleinkinderen (vijf), buren en vriendinnen, en voor wie dan nog niet overtuigd is van haar levenslust, heeft ze een jonge Friese stabij, die Famke heet - met een jonge hond geef je jezelf algauw nog een jaar of twaalf.

Maar toch.

Vier jaar geleden overleed haar man. Henrik Sjouke. Hennie. Hij was 68. Ze kende hem sinds haar 17de. Samen op de kweekschool in Heerenveen, samen naar Arnhem, allebei in het lager onderwijs. Hij een stuk bedachtzamer dan zij. ,,Ik ben nogal een opstandje.''

Hij sukkelde al jaren met hart en longen, altijd opgezette en verkleurde handen. Pas in januari 2001, zo'n onwaarschijnlijke ziekte was het, werd de diagnose gesteld: sclerodermie, reuma in de kleine bloedvaten. En op 15 maart stierf hij.

,,Een natuurlijke dood?'', vraag ik.

,,Morfine'', zegt zij. ,,De laatste weken waren een ramp. Hij had ontzettend veel pijn. Hij hapte naar lucht, hij had het zo moeilijk.''

De dood als een bevrijding. In ieder geval heeft ze toen ervaren dat doodgaan niet eng hoeft te zijn, he-le-maal niet eng.

Tsja, Hennie was gecremeerd en ze reed naar Eindhoven, waar ze een nichtje had wonen, en ze dacht: als ik nou tegen een boom knal, wie mist me dan.

,,De kinderen'', zeg ik.

,,Maar hebben die je nódig?'' zegt zij. Want dat is toch wat je wilt, je wilt nódig zijn.

,,Je ziet ook wel'', zeg ik, ,,dat de man dood is...''

,,...en dat de vrouw opleeft'', zegt zij.

,,Zonder dat het een slecht huwelijk hoeft te zijn geweest'', zeg ik.

,,Nee'', zegt zij. ,,Nee. Zo was het bij ons niet. Ik heb me nooit opgesloten gevoeld in het huwelijk, in het huishouden.''

Maar ze merkt wel dat ze veranderd is. Ze is strijdbaarder geworden, stérker. ,,Mijn man deed het woord, en dat kon hij ook het best, en ik verschool mij daar een beetje achter.''

Toen meldde ze zich voor vrijwilligerswerk bij Rozenheuvel, een hospice van het Leger des Heils in Rozendaal. Kunt u met iemand de bijbel lezen? Dat kon ze. Kunt u met iemand bidden? Dat kon ze niet. Dus niet gelovig genoeg.

,,Maar ze zeiden ook'', zegt ze, ,,dat ik nog een tijdje moest wachten. En daar hadden ze gelijk in. Het was te kort na Hennie's dood. Ik zat nog te veel met mijn eigen verdriet. En wat je niet verwacht: het tweede jaar is zwaarder dan het eerste. In het begin ga je door in de vaste routine: dingen die je met z'n tweeën deed, doe je dan in je eentje. Niet dat dat zo makkelijk is, maar je hebt houvast - en dan begin je dát ook nog kwijt te raken en dan besef je pas dat je er werkelijk alleen voor staat.''

Toen meldde ze zich bij de VTZ, de Vrijwillige Terminale Zorg. ,,Ik geloof dat er tegenwoordig een P tussenstaat, van palliatief, maar ik zeg altijd VTZ.''

Je besteedt een dagdeel of een nacht in de week aan iemand die gaat sterven, meestal thuis. De daadwerkelijke zorg komt voor rekening van anderen, jij hoeft in feite alleen maar gezelschap te zijn. ,,Je kunt, zolang je fit bent, zoveel voor mensen betekenen...''

Drie mensen heeft ze inmiddels gehad en die zijn alledrie overleden. ,,Flinke vrouwen hoor, daar heb ik respect voor.'' En nu heeft ze net bericht gehad over een vierde. ,,Ik moet kennis gaan maken, kijken of het klikt.'' Spannend? Ja, spannend.

,,Sterven mensen eenzaam?''

,,Deze mensen niet.''

,,Sterven ze bang?''

,,Niet bang, ze zijn zó ziek. En ze hoeven ook niet bang te zijn. Een heftige doodsstrijd, dat hoeft in onze tijd niet meer. Maar ze kunnen zich verzetten. Een vrouw die zegt: straks heeft mijn dochter geen moeder meer. Dan is het: laat dat maar los, gá nou maar.''

Haar eigen vader en moeder zijn jong gestorven. Veel hartkwalen in de familie en dan denk je: nou ja, dat is een prachtige dood. Maar aan beide kanten zaten toch ook tantes die knap oud geworden zijn. Dus dat geeft hoop, én reden tot zorg.

,,Het enige waar ik bang voor ben'', zegt ze, ,,is dat mijn verstand achteruitgaat. Je vergeet weleens wat en dan vraag je je af: o jee, zou het al begonnen zijn?''

Zoals gezegd: deze ernstige beschouwingen passeren in een buitengewoon levendige context. Deze vrouw staat midden in het leven en we zitten geanimeerd te praten in een prettig huis in een mooie buurt en buiten schijnt de zon.

,,Ik moet'', zeg ik, ,,nodig op zoek naar een 70-jarige met financiële zorgen.''

,,O'', zegt zij, ,,ik heb het pensioen van mijn man, ik heb mijn eigen pensioen en ik krijg AOW en elke maand gaat er net wat meer uit dan er binnenkomt. Eigenlijk moet de auto eruit.''

Bij deze opmerking slaat de schrik me om het hart - voor mijzelf voorzie ik een oude dag met uitsluitend AOW.

,,En ik neem aan'', zeg ik, ,,dat lang niet alle 70-jarigen zo fit zijn als u.''

Dan legt ze, kennelijk om mij te bemoedigen, haar handen plat op het tafelblad tussen ons in. ,,Maar ik heb wel artrose hoor.''

Dit is de derde aflevering van een serie gesprekken met mensen die zeventig zijn.