Democratie en rechtstaat vergen moed

Een samenleving die radicalisme wil bestrijden, moet radicale individuen isoleren uit hun omgeving, vindt P.H. Donner, minister van Justitie. Vermijd daarbij de valkuil radicalisering te zien als een proces van hele sociale groepen die bijvoorbeeld godsdienstige overtuiging of sociale afkomst gemeen hebben. Maar erken ook dat democratie en rechtstaat moed vergen, en kom in actie, zegt hij. In het overzicht hieronder staan de maatregelen die het kabinet heeft genomen de afgelopen maanden. Is dit een aantasting van de rechtstaat? Volgens Herman van Gunsteren kan dit een bedreiging vormen. De nieuwe instrumenten voor terreurbestrijding kunnen leiden tot grove vergissingen, en een gevaarlijk wapen worden in de handen van bewindslieden die minder sterk in hun schoenen staan.

Het afgelopen jaar was voor Europa een ruw ontwaken. De aanslagen van 11 september 2001 maakten weliswaar schokkend de realiteit van het moderne terrorisme duidelijk. Maar het bleef iets wat anderen overkomt. Sinds Madrid is het iets geworden wat ons kan overkomen. En sinds Londen is het iets wat niet alleen van buiten komt maar ook van binnen. Terrorisme ook hier en radicalisme ook bij ons. Voor de meeste Nederlanders is niet meer de vraag óf er een aanslag komt, maar: wanneer.

In Nederland was met de moord op de heer Van Gogh, nu bijna een jaar geleden, de dreiging al eerder voor iedereen zichtbaar geworden. Fundamentalisme, radicalisme en terrorisme werden daarmee in een klap verbonden.

Toch zijn voor velen terroristen nog steeds de `anderen'. We associëren radicalisme impliciet nog altijd met onaangepaste allochtonen, exotische kleding en een vreemd geloof. Een gevaarlijk vooroordeel. Want zolang we niet onderkennen en erkennen dat het radicalisme waar we nu mee worden geconfronteerd ten dele van eigen bodem is, dat het onze mensen zijn en ons probleem is, zolang zullen we ook de kans missen om het effectief aan te pakken en een bevredigende en duurzame oplossing dichterbij te brengen.

De erkenning dat het radicalisme ons probleem is en van eigen bodem komt, maakt de oplossing niet eenvoudiger, maar impliceert wel dat we het probleem zelf kunnen aanpakken, en niet alleen de symptomen. Daarbij kan gebruik van geweld niet worden uitgesloten.

Er zal met kracht doortastend moeten worden opgetreden. Dat zal uitingen van radicalisme en terrorisme echter hooguit kunnen aanpakken of misschien voorkomen, maar het zal niet kunnen voorkomen dat weer anderen worden gewonnen. Dat laatste vergt meer dan politieel en justitieel optreden; het vergt wederzijdse erkenning van en respect voor uiteenlopende fundamentele opvattingen, aanvaarding van het uitgangspunt dat eigen politieke opvattingen binnen de constitutionele grenzen slechts via de wet aan anderen kunnen worden opgelegd op basis van een open maatschappelijk debat.

Hoe pak je radicalisering aan? Het gedachtegoed waar het huidig radicalisme zich mee voedt, is niet van westerse makelij of specifiek gericht tegen westerse landen. De meeste slachtoffers zijn tot nu toe gevallen in islamitische landen. Het islamistisch radicalisme voedt zich weliswaar met godsdienstige overtuigingen, maar radicalisme of zelfs fundamentalisme is niet typisch godsdienstig. In de achterliggende eeuw is radicaal geweld overwegend uit politieke overtuiging ontstaan. Geloof in de rede of in menselijke waardigheid vinden niet minder fundamentalistische, onverdraagzame verdedigers dan welke godsdienst ook. Dat laat onverlet dat godsdienstig fundamentalisme een bijzonder gevaarlijk soort radicalisme kan opleveren.

Radicalisering is een hoogst individueel proces waarbij de eigen identiteit geleidelijk wordt vereenzelvigd met een bepaalde levensbeschouwelijke overtuiging godsdienstig, politiek, sociaal of wetenschappelijk waar eigen goed en leven aan ondergeschikt worden geacht en gemaakt. Gevaarlijk wordt dat pas als men die overtuiging met dwang, angst of geweld aan anderen wil opleggen, andermans leven en goed daar ook aan ondergeschikt wil maken of maatschappelijke veranderingen met geweld wil afdwingen.

Een groot gevaar is dan ook om de radicalisering in een individueel geval gelijk te stellen aan algemene identiteitselementen die daar een rol bij spelen, zoals godsdienstige overtuiging, gebrekkige integratie, sociale of etnische herkomst. De redenering dat echte islamieten radicalen zijn, omdat radicalen zich op de koran beroepen, is onzindelijk. Bestrijding van radicalisme vergt isolatie van de radicalen uit hun omgeving, niet het hen samen met hun omgeving op één hoop vegen.

Radicalisme en terrorisme moeten bestreden worden. Maar dat kan niet binnen de bekende wettelijke kaders. Op zichzelf vormen terroristische acties geen apart probleem voor het strafrecht; het gaat om bekende delicten. Dreigen met straffen biedt evenwel weinig soelaas als de dader beoogt bij zijn daad om te komen. Ook het feit dat strafrecht en strafvordering zijn bedoeld om te reageren op een eenmaal gepleegd misdrijf, maakt ze minder geschikt om terrorisme te voorkomen. Evenzo kan bij de aanpak van radicalisme niet gewacht worden tot het zich uit in (terroristisch) geweld. Dan is het te laat. Maar radicalisme dat zich nog niet uit in geweld of vrees aanjagen, valt doorgaans wel samen met de uitoefening van fundamentele vrijheden en waarden in ons maatschappelijk bestel; meningsuiting, godsdienstvrijheid, gewetensvrijheid.

Tegen deze achtergrond moeten de maatregelen en wetgeving gezien worden die het kabinet het afgelopen jaar heeft voorgesteld. De aandacht richt zich daarbij veelal sterk op de wetgeving, maar met wetten en regels druk ik het terrorisme de kop niet in. Dat vergt voortdurend speuren naar signalen, informatie verzamelen en analyseren, controle en toezicht, doeltreffend opsporen en effectief optreden en vervolgen. Het vergt voorlichting, waarschuwing en soms intensieve bescherming en bewaking van personen en objecten, en van vitale infrastructuur. Het vergt coördinatie van het handelen van velen, afspraken over wie welke maatregelen wanneer treft, en het vergt veel en voortdurend oefenen voor het geval er toch iets gebeurt. In het afgelopen jaar zijn op al die punten grote stappen gemaakt. (Zie hiervoor de tekst hiernaast, red.)

Ik ben mij bewust dat die maatregelen en voorstellen, van verschillende kanten zorg of zelfs de kritiek hebben uitgelokt dat hiermee de rechtstaat wordt aangetast. Maar wijziging van het bestaande recht is op zich zelf geen aantasting van de rechtstaat. Het vermoorden en verminken van onschuldige slachtoffers is dat wel.

Laten we de discussie niet voeren in absolute termen van veiligheid versus bescherming van verdachten versus rechten van burgers in het algemeen. We komen er niet uit met het beredeneren van een zorgvuldig evenwicht tussen rechten. Uiteindelijk gaat het om overtuiging, betrokkenheid en politieke keuzen. Gevaar is nu vaak dat het daarbij gaat om keuzen tegen, en niet keuzen voor. Keuzen tegen aantasting van veiligheid, of tegen aantasting van rechten, waarbij men het handelen laat beheersen door angst; angst voor de eigen veiligheid of de eigen rechten.

Democratie en rechtstaat vergen een zekere elementaire moed. Niet de minste daarvan is om risico's te aanvaarden, maar minstens zo belangrijk is om te veranderen waar dit geboden en mogelijk is ter bescherming van de samenleving; het vergt wel wijsheid om verantwoord tussen die twee te onderscheiden.

De publieke discussie over het overheidsbeleid en de wetsvoorstellen miskent dat radicalisme en radicalisering als oorzaak van terrorisme uiteindelijk niet door het strafrecht gekeerd zullen worden. Die bieden slechts een mogelijkheid om symptomen te bestrijden; niet om de gedachten daarachter te veranderen of de aantrekkingskracht ervan te verminderen. Dat laatste zal vooral afhangen van de wijze waarop de samenleving met de dreiging omgaat.

Het tegengaan van radicalisering en terrorisme vereist een breed tegenoffensief van ieder die de samenleving ter harte gaat, autochtoon of allochtoon, moslim of niet-moslim, om gestalte te geven aan de samenleving waar we voor kiezen, in verscheidenheid met respect voor verschillen. Dat vergt een aanpak die overheid, politiek en samenleving omvat. Het kabinetsbeleid gaat daarbij van drie hoofdlijnen uit, te weten:

Isolering van gevaarlijke radicale krachten, verstoring van radicalisering en het vroegtijdig onderkennen en afstoppen van radicale activiteiten;

Het vergroten van de weerbaarheid van groepen en individuen tegen radicalisme, en

Versterking van de binding van mensen aan de Nederlandse samenleving en meer in het algemeen aan de democratische rechtstaat, want een antwoord op radicalisering en terrorisme betekent vooral dat we voorkomen dat dát gebeurt wat terroristen voor ogen hebben: dat we ons als samenleving uit elkaar laten drijven.

Diversiteit is de essentie van de mensheid. In vrijheid samenleven en samenwerken vergt wederzijds respect en vertrouwen, en de bereidheid om verschillen te accepteren, ook als het fundamentele verschillen betreft. Juist het ontkennen van dat uitgangspunt door radicalen is wat we verwerpelijk vinden in hun houding. Maar dat geldt dan ook voor ieder. De groeiende intolerantie is niet slechts aan een deel van de bevolking te wijten; velen uit alle geledingen van de samenleving maken zich hier schuldig aan.

We moeten niet kiezen tegen waar we bang voor zijn, maar kiezen voor het soort samenleving waarin we willen leven. Vertrouwen is daarbij het sleutelwoord. Vertrouwen behouden en vertrouwen kweken. Wij moeten elkaar, wat er ook in de toekomst mag gebeuren, in de ogen kunnen blijven kijken, het gesprek met elkaar aangaan en waar nodig met elkaar samenwerken. Dat vergt een breed tegenoffensief, waarbij autochtonen en allochtonen, moslims en niet-moslims samen moeten optrekken.

P.H. Donner is minister van Justitie. Dit is een ingekorte versie van het NRC Handelsblad nieuwscollege dat hij gistermiddag gaf. Herman van Gunsteren reageerde hier op.

www.nrc.nl/opinie : Volledige tekst nieuwscollege Donner