Van Gogh en Pamuk

Zou het niet mogelijk zijn (maar dat is waarschijnlijk wishful thinking) de moord op Theo van Gogh op een hoger niveau te herdenken dan in de vorm van naargeestig gekissebis, politiek en emotioneel claimgedrag, insinuaties, zwartepieten en zelfvergroting? Het Parool opende gisteren de voorpagina met de kop `Geruzie om herdenking'. Pagina 2 met `Nog ruzie over lawaai 2 november' (het protest op de Dam, vorig jaar op de avond na de moord). Dezelfde krant riep haar lezers op in hooguit 150 woorden te antwoorden op de vraag: ,,Zijn we een jaar later onaangedaan, of valt de tolerantie ons zwaar?'' Blijkbaar is het onmogelijk zowel aangedaan als tolerant te zijn, het is het één of het ander.

In een Zembla-documentaire over de nasleep van de moord op Van Gogh deed minister Verdonk (Integratie, VVD) gisteravond een aanval op 15 jaar (!) minderhedenbeleid van de PvdA. Onwaardig, dat is wel de minst onvriendelijke kwalificatie voor dit instrumentele gebruik van een gebeurtenis die ook anderen niet onberoerd heeft gelaten. Een partijgenoot van haar, het Tweede-Kamerlid Van Schijndel, kraaide elders dat hij ,,over de islam nog niet zover als Geert Wilders'' is, maar toch: ,,Het gat zit op rechts.'' Kunnen de Vrienden van Theo niet eens ophouden zich te gedragen als Rachel Hazes en, in de stijl van de vermoorde, tegen dergelijke opportunistische politici zeggen: ,,Steek jullie rouwbeklag maar in je gat op rechts.''

Er waart een enge Siamese tweeling rond in Europa, tribaal islamitisch fanatisme en etnocentrische islamofobie; zij kunnen niet zonder elkaar, zij stoken elkaar op, zij bedreigen ons. Het is moeilijk te verteren dat de nagedachtenis van de kunstenaar, die Theo van Gogh in de eerste plaats was, met huid en haar aan deze verschrikkelijke tweeling wordt uitgeleverd, vermorzeld tussen religieuze haat en politiek effectbejag. Het politiseren van een politieke moord is onvermijdelijk, maar dit hoeft zich niet noodzakelijk op een kleingeestig niveau af te spelen. Het zou ook kunnen gaan over de vragen waarmee de samenleving overal worstelt waar immigratie leidt tot spanning tussen bevolkingsgroepen.

De rede die de Turkse schrijver Orhan Pamuk zondag in Frankfurt heeft gehouden bij de aanvaarding van de Vredesprijs ging daarover. Ik las hem met het gekrakeel over de herdenking van Van Gogh in het achterhoofd. In mijn optiek zou het een uitstekende herdenkingsrede hebben kunnen zijn. Niet omdat ik denk dat de vermoorde cineast het vurige pleidooi van Pamuk voor toelating van Turkije tot de EU zou hebben onderschreven – dat soort goedkope toe-eigening stoort me nu juist zo. Maar wel, omdat Pamuk zich expliciet keerde tegen de veronderstelling dat een politieke stellingname van een kunstenaar ook maar iets van doen zou hebben met engagement met een bepaalde politieke zaak of een groepering.

Een politiek standpunt van een kunstenaar komt voort uit zijn verbeeldingskracht, zijn vermogen zich in anderen in te leven, betoogde Pamuk. ,,Deze kracht maakt hem niet alleen tot een persoon die menselijke werkelijkheden onderzoekt die niet eerder zijn verwoord – het maakt hem tot zegsman van hen van wie de woede nooit wordt gehoord en van wie de woorden worden onderdrukt.'' Dit is uiteraard ook op Van Gogh van toepassing, hoe primitief de woorden soms ook waren waarmee hij de woede van anderen wist te vertolken.

Pamuk sprak over de relatie van de kunstenaar tot de `ander', de vreemde, de vijand, de ons wezensvreemde persoon die appelleert aan onze meest primitieve instincten, die agressie en verdedigingsreflexen uitlokt, afschuw en angst. Vervolgens hield hij een pleidooi voor de mogelijkheid zich in die ander te verplaatsen en zodoende zichzelf te bevrijden.

Het is niet mijn bedoeling Pamuk en Van Gogh, totaal onvergelijkbare figuren, op één lijn te stellen, al is duidelijk dat de cineast in enkele van zijn laatste films uit alle macht heeft geprobeerd zich in de situatie van jonge allochtonen in te leven. En het is geheel overbodig beider rol als verdedigers van de vrijheid van meningsuiting uiteen te zetten. Waar ik de aandacht op wil vestigen, is de wijze waarop politici of lobbyisten zich, als het in hun straatje past, meester maken van de kunstenaar.

Wordt Pamuk door de Turkse justitie vervolgd, omdat hij de massamoord op de Armeniërs uit 1915 en de onderdrukking van de Koerden aan de orde stelde, dan is dat voor bijvoorbeeld staatssecretaris Nicolaï een welkom argument om eventueel alsnog de toetredingsonderhandelingen tussen Turkije en de EU te blokkeren. Dat lijkt steun voor Pamuk, maar het tegendeel is waar. Deze zegt juist dat hij zich alleen in een tot Europa behorend Turkije verzekerd kan weten van vrije meningsuiting. Hij vergeleek zelfs de stijl van de anti-Turkse campagnes van sommige Duitse politici met de ultranationalistische Turkse politici die hem laten vervolgen. De wreedste ironie is nog dat het aanwakkeren van nationalistische anti-Turkse sentimenten in Europa heeft geleid tot de grofste nationalistische reactie in Turkije. Dat zou iemand als Wilders zich mogen aantrekken.

Maar de islam dan? ,,Een Europa dat zichzelf benauwd-christelijk definieert, zal net als een Turkije dat zijn kracht alleen uit de islam probeert te putten een in zichzelf gekeerd geheel zijn, afgezonderd van de werkelijkheid en meer gebonden aan het verleden dan aan de toekomst.'' Voor Pamuk zijn christendom en islam als het ware één pot nat: de Europese identiteit moet noch door de ene, noch door de andere godsdienst worden bepaald, maar door de waarden van de democratie, de verlichting, de vrijheid van meningsuiting. Voor hem is de echte vijand het bekrompen nationalisme van welke snit dan ook.

Deze rede is in Duitsland niet met vreugde ontvangen. De Frankfurter Allgemeine Zeitung sprak er schande van dat Pamuk de behandeling van de Turken in Duitsland durfde vergelijken met die van de Koerden in Turkije. Dus toch alsnog een overeenkomst met Van Gogh: provoceren om een punt duidelijk te maken.

Ik zou willen dat de herdenking van Theo van Gogh in het teken van het kunstenaarschap staat, dat niet door `vaderlandse' maar door grenzeloze verbeeldingskracht wordt bepaald en niet kan worden ingelijfd door bekrompen zielen, stemmenronselaars, en etnische of nationalistische belangengroepen.