Maandag

In Leiden kwam een vader met zijn blonde dochtertje de treincoupé binnen. Hem schatte ik op een jaar of vijfendertig, zij telde ternauwernood vier jaren. Het was maandagmorgen en hij droeg een weekendtas, terwijl zij tevreden achter hem aanhuppelde.

,,Miauw...miauw'', zei ze steeds.

,,Je bent een echt poesje'', zei de vader dan.

Ze gingen naast elkaar in de stoelen vóór mij zitten en begonnen een conversatie die me van mijn lectuur afhield, zonder dat ik het storend vond – een compliment dat ik niet elk pratend duo in de trein kan maken.

,,En waar gaan we naartoe?'' vroeg hij, terwijl de trein zich in beweging zette.

,,Naar mamma.''

,,Dat is leuk, hè.''

,,Ik wil niet naar mamma.''

Ze zei het niet zeurderig of klagerig, maar op een constaterende toon. Ze zou er zelf niet over begonnen zijn, maar nu haar mening gevraagd werd, wilde ze best een eerlijk antwoord geven. Diplomatie komt met de jaren, helaas.

,,Dat moet toch echt'', zei hij. ,,Pappa moet werken.''

,,Dat wil ik niet.''

Opnieuw geen spoor van huilerigheid, alleen een emotie die onbekommerd in een feitelijke mededeling werd omgezet. In de korte stilte die volgde, hoorde ik de vader voorzichtig naar woorden zoeken, als een arts die de pijnlijke plek op een lichaam aftast.

Hij kuchte en zei: ,,Als pappa straks jarig is, dan mag je de héle week bij me blijven logeren. Dan gaan we elke dag leuke dingen doen.''

Wij, volwassenen, zouden nu vragen: welke leuke dingen dan? Want we willen het ijzer van de belofte smeden als het heet is. Maar het meisje vroeg alleen maar: ,,Mag ik een banaan?''

De man ritste de weekendtas open en haalde een trosje bananen tevoorschijn. Het kan projectie geweest zijn, maar ik meende enige opluchting in zijn stem te horen toen hij riep: ,,Ik heb een réchte banaan voor je.''

,,Neehéé'', lachte ze, ,,het is een kromme.''

Hij pelde de banaan en gaf haar aan het meisje. Ze begon gretig te eten.

,,Ik heb je kralen in de blauwe tas gedaan'', zei de vader.

Ze antwoordde niet, want ze had iets veel interessanters gezien in de weekendtas, die nog openstond. ,,Wat is dat?''

,,Mijn paspoort.'' Hij pakte het en hield het voor haar ogen terwijl hij de pagina's omsloeg.

,,Dat ben jij'', zei ze. ,,Toen had je nog haar.''

Een al te suggestieve constatering, want hij had nog steeds haar, al hield het niet over. Maar hij lachte – zij was de enige op de wereld van wie hij zoveel directheid kon hebben.

Opeens zei ze: ,,Ik heb buikpijn.''

,,Ja? Heb je dat vaker?''

,,Ja.''

,,Ben je al eens bij de dokter geweest? We zullen het mamma vragen.''

Zijn stem klonk bezorgd. Het weekend was voorbij, en hij besefte dat je als vader in die twee dagen minder van een kind te weten komt dan je zou willen.