Liefde voor het asfalt

Ik schrijf dit stukje op een hotelkamer van het Ethio Star hotel in Bahir Dar (spreek uit: Bai'dar). De zon schijnt, als ik over de rand van de laptop loer zie ik het bruine Tana-meer. Op verzoek van mijn gastheer, de directeur van de Ethiopische wielerbond, heb ik de kamer vooraf geïnspecteerd en goed bevonden. Wat kan mij het nou schelen dat de gordijnen er telkens afvallen, dat het muskietennet gaten vertoont, dat het toilet spaarzaam spoelt en het afvoerputje van de douche verstopt zit. Ik heb andere dingen aan mijn hoofd. Als ik over een week terugvlieg naar Addis Abeba hoop ik de 25 wielrenners van dit land achter te laten met juist voldoende vaardigheden tools worden ze in bepaalde kringen genoemd om zichzelf naar een iets hoger plan te tillen.

Er is een enorme behoefte aan kennis, zoveel is me intussen duidelijk. Net als aan geld, een geoliede infrastructuur en deugdelijk materiaal. De nationale wielerbond heeft een soort Rabo-wielerplan in gedachten, dat de sport vanaf dikke banden- tot olympisch niveau bedient. Heeft het al jaren geduurd voordat er in Nederland een dergelijk plan ten uitvoer werd gebracht, in Ethiopië zal men nog meer geduld moeten hebben. Hier zijn grote banken noch grote ondernemingen. Maar iets zal hier van grond komen, ik voel het aan mijn water. De grote lange-afstandsatleten hebben, bij gebrek aan perspectief, de vluchtroute gebaand. Sport als methode tot zelfverheffing het is een bekend verhaal, zelfs Europees verhaal.

`Mijn' coureurs rusten nu. Dat wil zeggen: ze studeren. Ze hangen al uren voor een video die ik had meegebracht: oud en recent beeldmateriaal uit de Tour de France. De video draait overuren. Ze kijken gretig en ze dromen. Misschien denken ze hun toekomst te zien. Hoe dan ook, geen betere studiemethode dan dromen. Een aardige bijkomstigheid van de video is dat ze me autoriteit verleent. Mijn ritoverwinningen van vroeger staan erop. Bijgevolg accepteren mijn renners alles wat ik zeg als waar. In die zin zou je me een moderne missionaris kunnen noemen. Ik predik de liefde voor het asfalt, al is dat spaarzaam aanwezig in Ethiopië. Dat ik er op training door de beste renners er af wordt gereden doet geen afbreuk aan die autoriteit.

De bondsdirecteur delegeert en delegeert. Een paar avonden geleden sleepte de bondssecretaris mij de Balugera Cultural Club binnen. Club is een groot woord, het was een kroeg, maar een culturele kroeg. Dans, traditionele muziek op traditionele houten instrumenten, traditionele dronkenschap. De kroeg liep vol, met koehuiden bespannen krukjes werden aangesleept, een volksbard zong dan weer weemoedige, dan weer opzwepende liedjes. Dit fenomeen: een volgepropt kroegje bereikte een toestand van trance. Ik zag wat ik eerder in Afrika had gezien, een uitbarsting van vitaliteit waar dit continent patent op lijkt te hebben, en opnieuw stelde ik me de vraag: waar in de geschiedenis is het fout gegaan met dit continent?

Natuurlijk, onze volkskroegen hebben hun trance met André Hazes, maar dat is trance als slappe thee. Eén ding is zeker: van de vitaliteit van mijn coureurs blijf ik af.