Hogescholen en bedrijven moeten pact sluiten

Het is terecht dat in de nieuwe Wet op het hoger onderwijs voor hogescholen een volwaardige positie wordt ingeruimd, meent Doekle Terpstra.

Onder de titel `Laat hogeschool apart' hebben de voorzitters van VNO/NCW en MKB-Nederland uiteengezet hoe zij tegen de ophanden zijnde Wet op het hoger onderwijs aankijken. In hun bijdrage in deze krant van 21 oktober maken zij helder dat de hogeschool vooral professionele beroepsbeoefenaren moet opleiden. Het bedrijfsleven heeft behoefte aan mensen met een op het beroep gerichte hogere opleiding, aldus de werkgevers. Dat klopt, en juist daarom is een nieuwe wet nodig.

Gelukkig groeit het bewustzijn, zowel in de samenleving als in politiek Den Haag, dat het beroepsonderwijs van vitale betekenis is voor een gezonde economische ontwikkeling op de langere termijn. Veel te lang is gedacht dat alleen universitair onderwijs en onderzoek daarvoor voldoende is.

Natuurlijk, (top)onderzoek is blijvend van belang, evenals het opleiden van de daarvoor noodzakelijke onderzoekers. Maar Nederland krijgt de boterham niet belegd met alleen nieuwe wetenschappelijke publicaties. Het gaat primair om de manier waarop onderzoek vertaald wordt in toepassingen in het bedrijfsleven. En juist de hogescholen pakken die nieuwe taak op door middel van toegepast onderzoek.

Via een steeds intensievere samenwerking met vooral midden- en kleine bedrijven komt kenniscirculatie tussen hogeschool en bedrijf steeds beter op gang. Zo wordt wederkering leren concreet vorm gegeven. Per jaar gaan zo'n 70.000 studenten op stage en 50.000 studenten maken jaarlijks een afstudeeropdracht. Dit netwerk van contacten is een immens potentieel om de kloof te dichten tussen aanwezige en toe te passen kennis.

Maar er is meer. Enkele jaren geleden is besloten tot het aanstellen van lectoren bij hogescholen. Zij hebben onder meer de taak om onderzoeksvragen zowel vanuit het bedrijfsleven als vanuit het publieke domein te inventariseren en deze met studenten en docenten via praktisch en toegepast onderzoek om te zetten in nieuwe bedrijvigheid. Inmiddels onderkennen vriend en vijand dat dit een geweldige succesformule aan het worden is. Zo gaf premier Balkenende bij het afscheid van de vorige voorzitter van VNO-NCW aan dit nieuwe fenomeen te beschouwen als een pijler van succes van kabinetsbeleid.

Er ontstaat al met al een geweldige dynamiek in de interactie tussen het bedrijfsleven en de hogescholen. Dit levert veel voordelen op. De betrokkenheid van het bedrijfsleven wordt intensiever, de ontwikkeling en vooral de toepassing van kennis sluiten steeds meer aan op de wensen van de ondernemingen zelf, studenten krijgen steeds meer de gelegenheid om van dichtbij de beroepsuitoefening te leren kennen, en ook docenten komen dichterbij de beroepspraktijk.

Het wordt steeds duidelijker dat op deze manier het maximale talent kan worden aangeboord om te voorzien in nieuwe, kwalitatief hoogwaardige werkgelegenheid. De hogeschool ontwikkelt zich steeds meer in de richting van een onderwijsinstelling naar een maatschappelijke kennisinstelling. Deze ontwikkeling wordt in de bestaande Wet op het hoger onderwijs helaas niet onderkend, terwijl de praktijk van alledag hieraan inmiddels vorm geeft. Het is dan ook terecht dat staatssecretaris Rutte van Onderwijs in een nieuwe wet de positie van zowel de hogescholen als de universiteiten wil herijken. Werkgevers zouden er goed aan doen de overwegingen van Rutte te volgen en te pleiten voor een volwaardige positie van de hogescholen in die nieuwe wet. Het komt de kwaliteit van het hoger onderwijs ten goede. En, wat uiteindelijk veel belangrijker is, het draagt bij aan de ontwikkeling van het menselijke potentieel.

Het moet helder zijn dat hogescholen hiermee geenszins de rol van universiteiten op het gebied van fundamenteel onderzoek overnemen. Een hogeschool is geen universiteit, zoals een universiteit geen hogeschool is.

Bij een volwaardige positie van het hoger beroepsonderwijs in de wet hoort ook een bekostigde hbo-master, naast een wo-master. We verspillen op dit moment geweldig veel menselijk kapitaal, omdat een hbo-bachelor die zich verder wil professionaliseren moet overstappen naar de universiteit.

Een hbo-afgestudeerde logistiek & vervoer wil geen wetenschappelijk studie bedrijfskunde volgen, maar een professionele masteropleiding die aansluit bij een gecompliceerde beroepspraktijk.

Het is ronduit bizar dat capabele professionals die voor hun loopbaan een masteropleiding willen volgen, gedwongen worden naar de universiteit te gaan om een academische master te volgen en te worden omgeschoold tot onderzoeker of voor beleids- dan wel managementfuncties. We moeten de professionals voor hun beroep behouden. Werkgevers hinken hier op twee gedachten. Enerzijds willen zij volwaardig beroepsonderwijs, maar ze aarzelen te kiezen voor consequente steun aan de hogescholen voor door de overheid bekostigde hbo-masters.

Veel ambities van hogescholen sluiten voortreffelijk aan bij wat het bedrijfsleven wil. Een bondgenootschap is derhalve op zijn plaats.

Doekle Terpstra is voorzitter van de HBO-raad.