De verlosser heeft zich in zwijgen gehuld

De Britse premier Blair begon enthousiast aan het Europese voorzitterschap. Hij legde een aantal thema's op tafel waarover móést worden gesproken. Je hoort hem daar niet meer over, ook al omdat hij weinig kans ziet op hervormingen, vindt John Vinocur.

Een eeuw geleden, in juni 2005, hees Tony Blair de vlag van een nieuw halfjaar Brits voorzitterschap van de Europese Unie met een verrassende toespraak over de manier waarop Europa zijn verval als wereldmacht kon stuiten. Volgens Blair was het probleem dat iedereen die verandering wilde in het mislukte Europese sociale model – een star stelsel van enorme kosten, maar geen banen en weinig hoop – voortdurend te maken kreeg met tegenstanders die het debat ontweken en de hervormers probeerden te intimideren door hen verraders van het Europese ideaal te noemen.

Zo kort na de nee-stem in Frankrijk en Nederland tegen de beoogde Europese Grondwet, en met als contrast de glorieuze herverkiezing van Blair voor een derde termijn, was dit naar de Brusselse maatstaven van behoedzaamheid en magere inspiratie vloeken in de kerk: een oproep aan Europa om zich niet meer voor de gek te houden door te `vluchten in zijn huidige beleid' en tegelijkertijd een duidelijke aanwijzing waar de oorzaak van de narigheid en de oplossing lagen.

Tegen miljoenen wakker geschudde Europeanen, én tegen de Schröders en Chiracs, leek Blair te beklemtonen: ik neem hier de leiding. Dit is het moment dat Europa de werkelijkheid weer onder ogen ziet. Geloof me.

Velen ten zuiden en oosten van Calais besloten hem inderdaad te geloven – zonder acht te slaan op het Britse cynisme over de openhartigheid van Blair of de omvang van de rol van Groot-Brittannië in de Europese Unie. De linkse Franse krant Libération sprak over Blair als de ,,hervormer, de man die niet stilzit, de man die reageert op de angst van de mensen''.

Maar in de vier maanden daarna veranderde Blair van zelfverzonnen verlosser in vrijwel zwijgende toeschouwer. De sterke hand die bereid leek het euroroer te pakken verslapte; van juli tot half oktober stond er geen Blair op de kansel van het Britse voorzitterschap. De Britten deden geen enkel voorstel van belang, deden niets met harde hand of zachte drang, leken in slaap te vallen in plaats van de leiding in Europa te nemen. Morgen zal Blair in Europa terugkeren met een toespraak in het Europees Parlement in Straatsburg, ter inleiding van de Europese top bij Londen de dag erna. Maar het Grote Europese Spel lijkt achter hem te liggen.

Oorspronkelijk zou deze top gaan over de hervorming van het Europese sociale model. Dit thema is inmiddels verwaterd tot het diffuse begrip van de mondialisering. En de tijdsduur van twee dagen, met genoeg tijd voor een serieuze confrontatie over de ideeën die Blair op tafel had gelegd, is gehalveerd. (In juni zei Blair nog: ,,Het enige dat ik vraag is dat we ons niet voor de gek houden en denken dat debat hierover niet nodig is.'')

Terwijl de wereld meeluistert had Blair wel degelijk zijn `open en eerlijke gedachtewisseling' kunnen krijgen over een systeem dat door de leiders in Frankrijk en Duitsland als heilig wordt beschouwd, maar dat volgens een dapperder Blair meer dan 20 miljoen werkloze Europeanen maar minder wetenschappers dan India produceert. Gerhard Schröder, vertegenwoordiger van de Duitse interim-regering op deze top, heeft op 14 oktober nog beklemtoond dat ,,Frankrijk en Duitsland iedereen zullen bestrijden die het Europese sociale model'' met zijn `economische efficiency' en `sociale cohesie' zou willen opofferen.

Vanwaar die fletsheid, die aftocht in plaats van een kruistocht? Van de Britten zelf komen grauwe en sombere verklaringen. Het grauwe, eurotechnische deel: de hoge verwachtingen van Blair bij de Europese media (met volledig voorbijgaan van het sceptische Groot-Brittannië) strookten niet met de minimale kans van zijn voorzitterschap om te ontkomen aan een eeuwige Britse tegenstrijdigheid – de wens om de EU-begroting te hervormen maar wel de korting te blijven opstrijken die het land sinds de dagen van Margaret Thatcher uit Brussel krijgt. Het sombere, harde deel: Blair beschouwt de politieke toestand waarvan sinds de zomer in Frankrijk en Duitsland sprake is als tamelijk hopeloos. Een verhit debat over het sociale model zou de kern van de Europese (lees Franse en Duitse) zwakte raken, maar tegelijk verwoestend zijn omdat de kans op vooruitgang op korte termijn nihil is. Daarom kan ik nu al een klassieke EU-deal voorspellen: Blair ziet af van zijn harde taal en in ruil daarvoor krijgt hij de stilzwijgende goedkeuring van zijn Europese tegenstanders om de begroting en het in eigen land pijnlijke verhaal over de kortingen tot december uit te stellen. Op dat moment zou het weer kunnen worden doorgeschoven naar Oostenrijk, dat op 1 januari het voorzitterschap overneemt.

Wie de verklaringen voor de ommezwaai beluistert (nooit als zodanig erkend), hoort algemene uitspraken als: Groot-Brittannië kan Frankrijk en Duitsland niet dwingen om niet-statelijke, niet-dirigistische landen te worden. Of: omdat het Britse leiderschap van de EU eigenlijk nergens goed valt, in eigen land noch op het continent, wordt assertiviteit van Londen gemanipuleerd tot tegenstand. Tegelijkertijd wordt Frankrijk beschreven als onmachtig tot verandering in een periode van 18 maanden tot aan de presidentsverkiezingen van 2007. Het voorval met de beroerte van Jacques Chirac heeft tot een in zichzelf gekeerde politieke situatie geleid, inclusief een golf Britse weddenschappen over zijn opvolger: Dominique de Villepin, en meer van hetzelfde; of Nicolas Sarkozy, die voorlopig meer de hervormingstaal van Blair van afgelopen zomer spreekt.

Ook de Britse kijk op het Duitsland van na de verkiezing is somber: niet stabiel of voorspelbaar, met een grote-coalitieregering die niet sterk zal zijn en die in Angela Merkel weliswaar een nieuwe, bewonderenswaardige leider heeft, maar die grote moeite zal hebben om een hervormingskanselier te worden.

Twee realiteiten dringen zich op. De eerste is dat Blair, meegesleept door zijn ego, zijn hand in juni lijkt te hebben overspeeld. Niet door de waarheid te spreken over de manier waarop pogingen om Europa te veranderen worden gefnuikt door politici die in wezen deel zijn van de status-quo; maar door mensen in de waan te brengen dat hij bij de bestrijding van de tegenpartij al zijn geloofwaardigheid inzette. De politicus in hem heeft ten slotte gewonnen. De tweede realiteit is waarschijnlijk ontmoedigender. Namelijk dat Blair het signaal heeft gegeven dat een poging om Europa te repareren op het ogenblik een kansloze zaak is. Hij heeft het opgegeven. In plaats van de ruimte als een vrije doortocht naar een leeg doel te zien, is hij deze week weer vervallen in het eurogekakel over meer concurrentie, onderzoek en onderwijs dat vijf jaar geleden al op de prijzenswaardige, maar genegeerde, Lissabon Agenda stond.

Toen verslaggevers vorige week opperden dat hij Europa had teleurgesteld en vroegen of de fut er bij hem uit was, kwam Blair niet verder dan het politieke antwoord op alle vragen: ,,Wacht maar eens af.''

John Vinocur is columnist van The International Herald Tribune. © New York Times Syndicate