De Taalunie toont misplaatst leiderschap 1

De artikelen van G.C. Molewijk (Opiniepagina, 17 oktober) en Nicolaas Matsier (20 oktober) geven uiting aan de ergernis van, naar ik denk, veel Nederlandstaligen en in ieder geval van mij over de krampachtige, modelmatige spelling die ons wordt opgedrongen. Taal heeft als functie onder meer om informatie, bedoelingen en gevoelens over te brengen. Taal leeft en is dus voortdurend in beweging. Het is inderdaad de vraag of de overheid daar een regulerende functie in moet hebben. Schrijvers, dichters en gewone gebruikers vormen de taal voortdurend. Dat lijkt mij daar ook in goede handen. De spelling die ons nu als algemeen geldend wordt voorgespiegeld (wie maakt dat trouwens uit?) heeft er de schijn van dat de samenstellers ervan er op een aantal punten niet uitkwamen en vervolgens hun toevlucht hebben genomen tot regels die niets met de taal als communicatiemiddel van doen hebben. De Taalunie-spelling ontneemt ons een aantal mogelijkheden om te nuanceren. Heb ik één hond, dan staat er in mijn tuin een hondehok. Heb ik er zes, dan is het zonder twijfel een hondenhok. De voorbeelden zijn legio van `voorschriften' die eerder lijken voort te komen uit een soort dwang om maar tot een regel te komen dan uit een bedoeling om de taal te verrijken met uitdrukkings- en nuanceringsmogelijkheden. Ik kan mij voorstellen dat de overheid voor zichzelf een woordenlijst samenstelt en hanteert om haar schriftelijke uitingen op orde te houden. Maar laat de samenstellers ervan daarbij (niet te frequent) letten op wat de Nederlandstalige samenleving voortbrengt en niet proberen op dit vlak misplaatst leiderschap te tonen.