De man na Alan Greenspan

Alan Greenspans opvolger Ben Bernanke ontvangt als voorzitter van de Amerikaanse centrale bank een lastige erfenis. Hij lijkt daar niet erg mee te zitten.

Ga er maar aan staan: Ben Bernanke, de huidige voorzitter van de raad van economische adviseurs van George W. Bush is door de Amerikaanse president naar voren geschoven als opvolger van centrale bankier Alan Greenspan. Greenspan, de voorzitter van het bestuur van de Amerikaanse Federal Reserve Board, is in de afgelopen achttien jaar uitgegroeid tot een icoon op de financiële markten.

Het zal niet eenvoudig zijn om hem te doen vergeten. Greenspans populariteit is niet de enige erfenis die op de schouders van Bernanke zal drukken. Ook het beleid van Amerika's bekendste centrale bankier ooit laat zijn sporen na. De huidige Fed-voorzitter kan bogen op een economie die de laatste twee decennia forse welvaartsgroei heeft getoond, een bovengemiddelde productiviteitsgroei heeft laten zien en gemiddeld een meer dan gezonde ontwikkeling van de aandelenkoersen. Zelfs als de dip op de beurzen na het jaar 2000 wordt ingecalculeerd.

Tot zover de gemiddelden. Wie de cijfers bekijkt waarmee Bernanke in februari 2006 moet beginnen, zal behoorlijk minder enthousiast zijn. Amerika groeit nog steeds voorspoedig, maar de inflatie is inmiddels gestegen tot 4,7 procent op jaarbasis. Dat is het hoogste inflatiepeil sinds begin jaren negentig.

De Amerikaanse huizenmarkt is zo sterk in prijs gestegen dat de zorg voor een harde landing toeneemt. Amerikaanse gezinnen reageren op de papieren rijkdom van hun eigen huis door niet meer te sparen. De overheid heeft, bij jaren van voorspoedige economische groei, een tekort van rond 4 procent van het bruto binnenlands product. En het tekort op de Amerikaanse betalingsbalans, het bedrag waarmee het buitenland het gebrek aan binnenlandse besparingen in de VS financiert, stijgt tot een ongekend hoge 7 procent van het bbp.

De lijst oogt niet fraai, maar is in wezen de verklaring voor Greenspans blijvende populariteit. Alles is de afgelopen jaren uit de kast gehaald om de Amerikaanse economie te redden van de recessie die dreigde na het instorten van de beurzen, nu vijf jaar geleden. De Fed, in de persoon van Greenspan, deed mee met het beschikbaar stellen van een vloed aan dollars tegen een extreem lage rente van 1 procent. Pas sinds halverwege vorig jaar wordt de rente opgeschroefd in de richting van een `neutraal' niveau. Na 11 verhogingen staat de rente nu op 3,75 procent en daar komt volgens de huidige verwachtingen op de financiële markten nog wel een procentpunt bij.

Het is de vraag of Bernanke daar mee zal zitten. Niet alleen was hij zelf van augustus 2002 tot begin dit jaar bestuurslid van de Fed en deels medeverantwoordelijk voor het beleid. Zijn recente uitlatingen laten zien dat er van enig alarm geen sprake is. Vorige week nog vertelde Bernanke het Amerikaanse Congres dat de hoge inflatie op termijn geen probleem is. De kerninflatie, zonder voedsel- en energieprijzen, ligt in de VS nog steeds rond de 2 procent.

Bovendien wordt Bernanke gezien als de vader van de zogenoemde global savings glut-these: het tekort op de Amerikaanse betalingsbalans komt niet omdat Amerikanen te weinig sparen en te veel uitgeven. Het komt omdat de rest van de wereld te veel spaart en het overtollige geld naar de Verenigde Staten stuurt in de hoop op een beter rendement dan thuis.

Alleen al deze twee uitgangspunten, over inflatie en over het betalingsbalanstekort, suggereren dat Bernankes aanpak aanvankelijk weinig zal verschillen van die van Greenspan. Pas daarna kan de nieuwe man zijn stempel op het beleid drukken, want in één uitgangspunt wijkt hij van Greenspan af. De oude Fed-voorzitter voerde het monetair beleid grotendeels op inzicht en gevoel. Er is in de VS geen officieel, geformuleerd doel hoe hoog of laag de inflatie zou moeten zijn.

Bernanke is voorstander van een inflation target, een inflatiedoel zoals de Britse centrale bank hanteert. Niet alleen geeft dat een duidelijke interne richtlijn voor het rentebeleid, maar de centrale bank kan er door de buitenwereld ook op worden afgerekend. De Britse Bank of England hanteert een inflatiedoel van 2,5 procent. De Europese Centrale Bank, die geen expliciet doel heeft, streeft officieel wel naar een inflatie van ten hoogste 2 procent. En de Fed? Het wordt zelden uitgerekend, maar tijdens achttien jaar Greenspan bedroeg de Amerikaanse inflatie gemiddeld 3,1 procent. Dat is een erfenis waar Bernanke wellicht wél mee zal willen afrekenen.