Judith Miller valt in ongenade New York Times

The New York Times liet dit weekeinde verslaggever Judith Miller vallen, die de krant de afgelopen maanden nog eerde om haar principes.

Ze zat 85 dagen achter de tralies als strijder voor een journalistiek principe: de bescherming van anonieme bronnen. Zo althans verdedigde The New York Times het verblijf van verslaggever Judith Miller in de cel. Maar sinds zij vorige week haar contact met de regering-Bush inzake 'Plamegate' beschreef (de regeringscampagne tegen een ambtenaar die de grondslag voor de oorlog in Irak bestreed) is ze bij de krant onderwerp van intense interne kritiek. Beschermde ze haar bron of haar eigen, dubieuze manier van werken?

Dit weekeinde werd duidelijk dat de krant Miller laat vallen. ,,Het lijkt me dat ze niet meer kan terugkeren op de redactie'', concludeerde ombudsman Byron Calame. Hoofdredacteur Bill Keller sprak de indruk uit dat Miller collega's had ,,misleid''. En zo is de belangrijkste krant van de VS, na het schandaal rond verslaggever annex bedrieger Jayson Blair twee jaar geleden, opnieuw in een lastige affaire beland.

Millers rol in Plamegate werd voor het eerst opgemerkt door aanklager Patrick Fitzgerald. Hij leidt het onderzoek naar de lastercampagne tegen oud-ambassadeur Joseph Wilson. Wilson schreef in 2003 dat president Bush nooit had mogen zeggen dat Saddam Hussein plannen had gehad om uranium in Niger te kopen. Bush gebruikte die beschuldiging in zijn argumentatie om Irak binnen te vallen. Wilson concludeerde in een onderzoek voor de CIA in 2002 dat Saddam zulke pogingen niet had gedaan. Hierna zinde het Witte Huis op wraak. Medewerkers hielpen verslaggevers bij het identificeren van Wilsons echtgenote – CIA-agente Valerie Plame – die door de publicatie van haar naam vreesde voor haar leven. Fitzgerald onderzoekt of Witte-Huismedewerkers, onder wie Bush' strateeg Karl Rove, de wet overtraden. Hij geeft deze week uitsluitsel.

In tegenstelling tot andere journalisten hield Miller twee jaar vast aan het principe van bronbescherming. Maar dat principe liet ze na 85 dagen cel vallen toen haar bron, topadviseur `Scooter' Libby van vice-president Cheney, toestemming gaf te getuigen. Zo komen mensen vanzelf op het idee, schreef columnist Maureen Dowd dit weekeinde in The New York Times, ,,dat haar verblijf in de gevangenis was bedoeld om haar carrière te rehabiliteren''.

In feite draait de zaak-Miller om het aloude concubinaat tussen pers en politiek. Op de redactie bestaat twijfel of Miller eerlijk is geweest over haar hechte verhouding met Libby. In de aanloop van de oorlog met Irak schreef Miller vijf – later rechtgezette – artikelen over de massavernietigingswapens die Irak zou bezitten. Libby redigeerde in het Witte Huis nota's van soortgelijke inhoud. Hoofdredacteur Keller zegt dat Miller al in 2003 door haar chef is gevraagd of zij door het Witte Huis was benaderd in de campagne tegen ambassadeur Wilson. Ze ontkende. Volgens Keller is hij daardoor op het verkeerde been gezet. Als ik had geweten van de ,,verstrengeling'' tussen Libby en Miller, zou ik anders hebben opgetreden, zegt hij.

De indruk dat Miller Libby beschermt komt voort uit een reeks ongerijmdheden in haar relaas. De aanklager heeft in haar blocnote de aantekening ,,Valerie Flame'' gevonden op eenzelfde dag dat ze met Libby sprak. Miller zegt dat ze die naam niet van Libby kreeg (dan zou hij strafbaar zijn) maar dat ze niet meer weet wie haar bron wél was. Verder beschermde Miller Libby door toe te zeggen dat ze hem in de krant `oud-medewerker op Capitol Hill' zou noemen. Daar werkte Libby vroeger. ,,Zorgelijk'', aldus de ombudsman.

Hoofdredacteur Keller trad in 2003 aan om schoon schip te maken na de affaire met Jayson Blair, die zijn stukken voornamelijk verzon. Keller geeft nu toe dat het fout was om bijna een jaar te wachten met excuses voor Millers overtrokken stukken. Zo krijgen we nu opnieuw het verwijt dat we bescherming van onze verslaggevers belangrijker vinden dan het informeren van lezers, aldus Keller. Sommige redacteuren zijn woedend. Columnist Dowd beschreef dat Miller jarenlang de vrije hand kreeg terwijl de redactie wist dat ze een gevaar voor de krant was. De kop: massavernietigingsdame.