`Help me'

Verzinnen is niet mijn sterkste kant, dus u kunt rustig van me aannemen dat de wonderlijke man die me aansprak op de Leidsekade in Amsterdam echt bestaat.

Het gebeurde een week of vijf, zes geleden. Ter hoogte van Theater Bellevue kwam hij op me afgehold, een lange, magere man met ingevallen wangen en wijd opengesperde ogen. Op zijn voorhoofd had hij een grote schaafwond waartegen hij een wit doekje gedrukt hield.

,,Help me'', hijgde hij, ,,ik ben een aidspatiënt en ik ben net gevallen.''

Ik schrok, al ben ik als bewoner van het stadscentrum wel wat gewend. Maar meteen voelde ik een steek van achterdocht, die me deed aarzelen.

,,Ik ben geen dokter en ik heb geen mobieltje bij me'', zei ik, ,,maar we kunnen naar het hotel op de hoek om te bellen.''

Hij staarde me verwezen aan. ,,Help me'', zei hij weer.

Ik wees naar de ingang van het hotel. ,,Ik loop wel even mee.''

Hij haalde zijn schouders op en liep vlug door, zonder nog een woord te zeggen.

Het incident bleef de hele avond in mijn achterhoofd schrijnen, niet zozeer als een schaafwond, maar meer als een lastige, onbeantwoorde vraag. Zou een échte aidspatiënt zoiets hebben gezegd? Onwaarschijnlijk.

Maar misschien was die man wel ernstig in de war, zeurde mijn geweten (of wat daarvoor doorgaat). Misschien was zijn paniek wel zó groot geweest dat hij er meteen alles bijhaalde om mij in actie te krijgen.

Wie weet lag er nu, ergens op een eerstehulppost, een man te creperen die gered had kunnen worden als ik een tikje minder argwanend was geweest.

Dat zou later tegen me gebruikt kunnen worden, besefte ik. Je verschijnt voor de hemelpoort, Petrus werpt een blik in zijn Grote Conduiteboek en zegt: ,,September 2005, Leidsekade, Amsterdam.'' Hij drukt op een knop en ergens achter je gaat een poort open. Je ziet nog niets, je hoort alleen het geluid van brullend vuur.

Het was dan ook niet zonder eigenbelang dat ik enkele dagen geleden de achtervolging inzette, toen ik dezelfde man bijna op dezelfde plaats weer tegenkwam. Het was op de Marnixstraat en hij sloeg af naar de Leidsekade, richting Theater Bellevue. Hij droeg een leren jasje en een donkere broek. De wond op zijn voorhoofd was een grote bruine korst geworden waartegen hij nog steeds een wit doekje hield. Hij keek me even aan en liep door.

Halverwege de kade sprak hij op felle toon een grijze man in een regenjas aan.

,,Rustig, rustig'', zei de man, ,,hoeveel had u precies nodig? Vier euro veertig?'' Hij diepte het geld met enige moeite uit zijn portemonnee op en overhandigde het.

Ik was hen voorbijgelopen en draaide me om. De man-met-het-doekje kwam me tegemoet, keek me aan en zei alleen: ,,De tweede keer.'' Toen liep hij hard door.

,,Wat vroeg hij u precies?'' vroeg ik de man in de regenjas.

,,Hij was aidspatiënt en moest voor dringende hulp naar het AMC.''

,,Wat denkt u?''

,,Laten we voor hem hopen dat hij geen echte aidspatiënt is.''

,,Het lijkt mij een bizarre bedelaarstruc'', zei ik, nogal nijdig.

De man lachte. ,,Als dat zo is, mag hij ervoor beloond worden.''

Hij was een betere verliezer dan ik, dat was duidelijk.