De ramp in Kashmir

,,If one could dream up a landscape, it would be called Kashmir.'' De zin is moeilijk in het Nederlands te vertalen. Hij is van V.S. Naipaul, een paar jaar geleden, tijdens een etentje in een kasteel in de woestijn van Rajasthan. Iemand had hem gevraagd hoe het kwam dat hij in zijn reisboek An area of darkness uit 1964 met zoveel walging sprak over India, maar dan in het middelste hoofdstuk, waarin hij zijn reis beschrijft naar Kashmir, ineens zo mild is.

Normaal gesproken zou Naipaul furieus hebben gereageerd op zo'n vraag. Hij sprak niet uit walging, de door hem beschreven toestand wás walgelijk, objectief gezien. Naipaul haat het als mensen hem persoonlijke motieven toeschrijven, hij schrijft alleen op wat er echt is te zien, meer niet. Hij heeft geen vooringenomenheden en zeker geen verborgen agenda's of erger: ideologieën. Zijn reisverhalen waren juist geschreven om de toen heersende ideologie te ontmaskeren: dat India een oud en heilig land was, met een romantische cultuur vol mystieke verhalen en magische rituelen.

Hij kwam daar begin jaren '60 aan en trof aan wat hij beschreef: een walgelijk oord, een walgelijk volk, een walgelijke cultuur.

Maar die avond reageerde Naipaul niet furieus. Ik zou niet weten hoe dat kwam: door het eerbetoon dat hem van de kant van India na zijn Nobelprijs ten deel was gevallen, door de smakelijke vegetarische gerechten die avond, door het melancholieke geluid van de muzikant met de veelkleurige tulband die maar over één snaar en een strijkstok beschikte, door de juiste oude whisky vooraf, de goede wijn bij het eten en de geurige cognac na afloop, of door de droge wind die het kasteel vanuit de woestijnvlakte in waaide, de stille duisternis in de verte, de sterren in de hemel, wie zal het zeggen.

Maar Naipaul reageerde niet furieus, hij reageerde alleen met dat ene zinnetje: ,,If one could dream up a landscape, it would be called Kashmir.''

Inderdaad beschrijft hij in An area of darkness het landschap van Kashmir met grote liefde: de sneeuw op de bergtoppen, het gladde water van het meer, de buigende rietstengels, de lotusbladeren, de petunia's en de geraniums en de godetia's, een massa van opgeklopte kleuren, wit en roze en bleekpaars.

Over het bureau voor toerisme van Kashmir en de zeldzame toeristen blijft hij verbitterd schrijven, hoewel hij de Kashmiri's zelf op een bijna sentimentele manier aandoenlijk vindt. Dat is tamelijk onnaipauliaans. Naipaul vindt iedereen wel een beetje halfgaar en belachelijk, maar het landschap van Kashmir stal zijn hart.

Zo ook dat van Salman Rushdie, die zijn nieuwste boek Shalimar de clown in Kashmir situeert. Na eerste lezing had ik het gevoel dat het boek wemelde van de lyrische landschapsbeschrijvingen, maar toen ik het doorbladerde, op zoek naar een goed citaat om dit te illustreren, vond ik er geen. Nog geen vier goede regels achter elkaar over het kabbelen van bergbeekjes, de sappig groene hellingen en de onvermurwbare bergtoppen waar de hindoegoden hun woeste dans op dansen. Het staat er wel, maar verborgen tussen dialogen, handelingen en karakterbeschrijvingen. Alsof Rushdie denkt dat iedereen weet dat het landschap van Kashmir bij elkaar was gedroomd.

Nu is dat landschap omgewoeld.

Rushdie vertelde al hoe de inwoners de afgelopen vijftig jaren langzaam werden vergiftigd door godsdienstig fanatisme en razernij, hoe de eens vleesetende brahmanen en Shiva-vererende moslims steeds meer het ergste in elkaar begonnen te zien en ten slotte bereid waren zichzelf en elkaar af te slachten in naam van, ja, in naam van wat eigenlijk? Kashmiri's zijn altijd een subversief en recalcitrant volkje geweest, schrijft Rushdie, tot de dag van vandaag zal de ene Kashmiri het niet met de andere eens zijn over de vraag voor welke God al dat bloedvergieten nodig was.

Dus hebben de Goden van zich laten horen. Geen zwaard, geen kogel, geen door mensen vervaardigd marteltuig kwam eraan te pas. Alleen de rotsen en de korsten van de aarde kwamen omhoog of gingen omlaag, vooral in het Pakistaanse deel van Kashmir meer dan 50.000 mannen, vrouwen en kinderen bedelvend. Een slordig graf zo groot als Nederland.

En nu is het alsof wij een probleem hebben. Afgelopen vrijdag kopte de Volkskrant: `Sorry Pakistan, jullie ramp heeft het niet.' Dat was een pijnlijke zin. Deze ramp heeft het niet, deze ramp spreekt ons niet aan. Alsof we alleen bereid zijn te geven als ook Nederlanders of andere westerlingen het slachtoffer zijn geworden, zoals bij de tsunami, en die bij aankomst op Schiphol kunnen worden geïnterviewd. Of als de ramp live te zien was op televisie en spectaculair en fotogeniek was als in een Hollywoodfilm. Als de ramp, durven we het te zeggen, `sexy' was.

We zijn bereid te geven, we zijn niet krenterig of zo, maar de ramp moet toch ook voor ons iets hebben, al was het maar een beetje amusementswaarde.

Dit is een knagend besef dat door de krantenkop in de Volkskrant op sardonische wijze is duidelijk gemaakt. En de cijfers zijn er ook naar. Afgelopen zaterdag stond op de voorpagina van NRC Handelsblad dat we na de tsunami binnen korte tijd 207 miljoen euro ophaalden. Nu zijn we niet verder gekomen dan 4,5 miljoen, waarvan 2 miljoen van de overheid. Dat is per Nederlander niet eens genoeg voor een simpele deken.

Het angstaanjagende is dat we zo zijn geschrokken van ons gebrek aan mededogen en betrokkenheid, dat we het alsnog proberen goed te maken met een grote televisieactie aanstaande woensdag. Ik houd mijn hart vast. Dit wordt een meedogenloze wedstrijd tussen de tsunami en de ramp in Kashmir. Nederland vorig jaar kerst 2004 versus Nederland begin herfst 2005. En stel je voor dat Nederland 2005 verliest, overtuigend verliest, zeg maar nog geen kwart haalt van Nederland 2004. Wat gaan we dan doen? Gaan we dan toegeven: deze ramp heeft het niet? Of gaan we dan zeggen: Nederland heeft het niet? Het belooft een spannende televisieavond te worden, Goliath tegenover David.

Misschien dat we de show rechtstreeks moeten laten zien in Kashmir. Hebben zij tenminste een beetje amusement.

ramdas@nrc.nl