Blauwbaard is wel wat braaf

Béla Bartóks korte opera Hertog Blauwbaards burcht (1911) is een vrucht van Freuds uitvinding van het `onderbewuste'. Het zeventiende-eeuwse sprookje over een kasteelheer die nieuwsgierige vrouwen achter slot en grendel zet, werd door Bartók en librettist Béla Balázs getransformeerd tot een grillig symbolistisch kunstwerk. De zeven kamers waarvan de overnieuwsgierige Judith de sleutel aan haar verse echtgenoot Blauwbaard weet te ontfutselen, lijken steeds diepere lagen van zijn onderbewuste voor te stellen, die meer bloed en tranen bevatten dan rozengeur en maneschijn. Misschien is het beter om de beerput van het onderbewuste dicht te laten, zo kan men de moraal interpreteren.

Peter Eötvös ging zaterdag het Radio Filharmonisch Orkest voor in een voortreffelijk gespeelde, maar als geheel wel brave uitvoering van het werk. Eötvös had veel aandacht voor een homogene orkestklank, waartegen soms felle contrasten oplichtten. Het viel hem moeilijk een overkoepelende lijn aan te brengen, maar achter elke deur schuilt bij Bartók dan ook een totaal eigen klankwereld: spookhuismuziek in de folterkamer, statisch glinsterende harmonieën in de schatkamer.

Een overtuigende karakterontwikkeling maakte mezzosopraan Cornelia Kallisch door als Judith: ze begon angstig en onzeker, maar werd gaandeweg bezetener, om aan het slot met afgrijzen haar eigen noodlot in te zien. Hiernaast stak Gidon Saks wat vlak af als Blauwbaard. Met zijn diepe, monumentaal galmende stemgeluid – in timbre meer basso profundo dan bas-bariton – klonk hij imposant, macho en mysterieus. Op zichzelf de juiste toon voor Blauwbaard, maar binnen deze grenzen ontbrak verdere ontwikkeling.

Vóór Blauwbaards burcht dirigeerde Eötvös zijn eigen compositie IMA (2001-2002), waarin het Groot Omroepkoor uitstekend meezong. `IMA' is Hebreeuws voor `gebed', en met de ingetogen, duistere ondertoon heeft het werk zeker iets van een geheimzinnig ritueel. Boven die donkere grondlaag laat Eötvös – net als hij in Blauwbaard deed – felle instrumentale accenten opvlammen als lichtpunten. De strijkers, hoog achter in de zaal op het balkon opgesteld, zorgen voor een ruimtelijke verbreiding.

Hoewel het werk in een uiterst somber slot uitmondt, heeft het als geheel ook iets behaaglijks, comfortabels, vooral door de warme, esthetiserende harmonieën die eraan ten grondslag liggen. Zeker bij het derde deel, op Gerhard Rühms klankgedicht Gebet, ligt vrijblijvendheid daardoor wel erg op de loer.

Concert: Radio Filharmonisch Orkest en Groot Omroepkoor o.l.v. Peter Eötvös. Gehoord: 22/10 Concertgebouw, Amsterdam. Radio 4: 25/10 20 uur.