Wraak op de machine

Volkomen onverwacht verschenen de gemaskerde mannen uit het duister, forceerden de deuren, drongen de verlaten ruimte binnen en sloegen met koevoeten en houwelen alle apparatuur kort en klein. Voor de politie ter plaatse was, waren ze door de nacht verzwolgen. De volgende nacht was het weer raak. En een paar nachten daarop, aan de andere kant van de stad hetzelfde liedje. De politie stond machteloos. Het leger werd erbij geroepen. Pas een jaar later werd er een bende onderschept. De soldaten openden het vuur. Binnen een paar minuten was het hele gezelschap neergeknald.

Wie waren die vandalen? Ze noemden zichzelf Ludditen. Voor het eerst zijn ze verschenen in het late najaar van 1811, in Nottingham en omstreken. Ze hadden het voorzien op de machines in de textielfabrieken, niet omdat ze bezeten waren door een rustieke afkeer van de techniek, maar omdat de technische vooruitgang in hun buurten honger en ellende had gebracht. De tijden van het handwerk waren voorgoed voorbij. De mannen moesten de fabriek in, de hal met vijftig spinning jennies, aangedreven door één stoommachine. Industriële revolutie! In de oude tijden kostte het maken van één paar sokken, het spinnen van de draden tot het weven van de stof en daarna het knippen, bijvoorbeeld duizend arbeidsuren. Een werkdag duurde tien uur. Eén arbeider had dus honderd dagen nodig om één paar sokken te maken. Met de nieuwe machines kon dezelfde arbeider in één dag honderd paar sokken maken. Bij wijze van spreken.

Een kind kan uitrekenen dat dit voor de ondernemers een geweldige besparing betekende. De lonen gingen omlaag, de winsten omhoog en wie niet meer nodig was, werd ontslagen. Sociale voorzieningen waren er nog niet. Eerst kwamen er relletjes. Dat hielp niet. Het werd tijd voor steviger maatregelen, en zo zijn de werklozen ertoe gekomen, de machines kapot te slaan. Eerst in Nottingham, toen in het hele graafschap Lancashire en verder. De publieke opinie stond erachter. Dat kon niet zo doorgaan. Er moesten keiharde maatregelen worden genomen. Soldaten met geweren, nieuwe wetgeving, arrestaties, processen, doodstraf en executie aan de galg. Dat was allemaal vèr voor Marx en Engels.

Veel later heeft iemand de uitdrukking `de mens als verlengstuk van de machine' bedacht. De Amerikaanse ingenieur Frederick Winslow Taylor ontwikkelde een wetenschap met behulp waarvan de mens door rationalisatie van zijn bewegingen zijn energie zo spaarzaam mogelijk kon gebruiken en dus zo lang mogelijk zijn maximale arbeidsprestatie kon leveren. Daarover heeft Charlie Chaplin zijn beste film, Modern Times, gemaakt. Het hielp niet. In de Sovjet Unie, het arbeidersparadijs, werd Alexej Stachanov beroemd door met voortdurende titanenkracht het zwaarste werk te doen. Hij werd de kameraden ten voorbeeld gesteld. Dat was in 1935.

Daarna is er aan het arbeidsfront nog van alles gebeurd dat ik nu oversla. Onze sokken en allerlei andere kledingstukken worden nu in China gemaakt, in dusdanige hoeveelheden dat we overwegen, een textieldam op te werpen. Het meeste speelgoed komt er vandaan. Kinderen in India, dat hoor je soms, maken ook veel dat we hier goed kunnen gebruiken. Nooit kom je te weten hoe ze dat doen, en of er wel eens een machine door zo'n baasje kapot wordt geslagen. Bij ons in het Westen, Amerika en West Europa, verdwijnen de arbeidsplaatsen voor de ouderwetse arbeiders bij tienduizenden. Sinds een jaar of tien, vijftien hebben wij de computer.

Alle bedrijven hebben computers die met elkaar in een systeem zijn verbonden. Als het goed gaat, wordt zo'n bedrijf groter en als het slecht gaat wordt het overgenomen. Dat betekent vaak wisseling van systeem. De programmeurs zitten ook niet stil. Ze verbeteren de systemen. Eens in de zoveel jaar krijgt het personeel de boodschap dat er binnen een paar weken op een nieuw systeem wordt overgegaan. Dat kan meer en het is sneller en goedkoper. Dan breekt het uur U aan.

Aan het begin van deze week was ik op bezoek bij een bevriend bedrijf waar dit uur U onlangs had geslagen. Ik ken daar een paar mensen die werken bij het systeembeheer dat ook weer voor een deel is uitbesteed aan een ander bedrijf dat zich erop toelegt, systemen te opperbeheren. Hoe dat allemaal in z'n werk gaat, valt maar voor een paar mensen te doorgronden. Hier ging het in ieder geval niet of nauwelijks in z'n werk. Tot in de verste kantoorlokalen klonken schreeuwen van woede en wanhoop. Bij deze systeembeheerders rinkelde voortdurend de telefoon. Nieuwsgierig geworden liep ik een gang in en gluurde hier en daar naar binnen. Eén werknemer zat diep gebogen over zijn bureau, het hoofd in de armen. Ergens anders riep iemand `Ik word hier krankzinnig!' Bij de koffieautomaat kun je altijd het best de stemming peilen. Die was hier prerevolutionair.

En toen gebeurde wat niemand verraste. Niet ver van de plaats waar we stonden te praten klonk een schreeuw, gevolgd door lawaai en het gekraak van brekend plastic. We renden erheen. Daar stond iemand – ik verraad niet of het een vrouw of een man is – een over het algemeen vriendelijk en vreedzaam mens, nu met een glans van waanzinnige triomf in de ogen. Op de grond lag de computer. Het toetsenbord was uit het raam gesmeten. Kapot! Kapot! werd er geroepen. Hier was waarschijnlijk de eerste mens tot computerluddit geworden.