Verwoorden wat je weet

Leerlingen gebruiken computers vooral om informatie op te zoeken, maar ze zijn ook nuttig om met klasgenoten te communiceren. Vlotte typers zijn in het voordeel.

SCHOLIEREN leren weinig van een leraar die voor de klas zijn verhaal afdraait. Ze pikken meer op als ze in groepjes samenwerken aan een taak. En nog meer als ze daarbij uitleg geven aan anderen. Leerlingen die veel uitleg geven aan klasgenoten halen de beste studieresultaten. Dat blijkt uit onderzoek waarop docente onderwijskunde Henny van der Meijden vorige maand is gepromoveerd aan de Radbouduniversiteit in Nijmegen. De samenhang tussen studieresultaten en het geven van uitleg was eerder ook al naar voren gekomen uit Amerikaans onderzoek.

Van der Meijden liet leerlingen uit groep acht van de basisschool in tweetallen samenwerken aan een rekentaak. De kinderen overlegden met elkaar via de computer. Na afloop bekeek Van der Meijden hoe vaak de leerlingen elkaar vragen of antwoorden gaven waar een vorm van uitleg in zit. Wat bleek: kinderen die meer uitleg gaven, voorbeelden gaven bij de stof, of relaties legden, haalden betere resultaten op de rekentoets.

Het ligt voor de hand te denken dat het omgekeerd is: dat de beste rekenaars nu eenmaal het vaakst uitleg geven. Maar volgens Van der Meijden was dat niet het geval. De leraar had de overleggroepjes namelijk van tevoren zo ingedeeld, dat kinderen die ongeveer even goed waren in rekenen, bij elkaar zaten. Van der Meijden vat haar bevinding samen in de stelling: ``Aan anderen verwoorden wat je weet, leidt tot een hogere mate van kennisconstructie dan voor je zelf weten wat je zou kunnen verwoorden.''

ordenen

Ze legt uit hoe het werkt: ``Als je uitlegt geeft, ben je gedwongen je gedachten te ordenen. In feite bewerk je zo de stof. Daar leer je van. Daarbij zitten leerlingen in eenzelfde klas op hetzelfde niveau, ze hebben dezelfde voorkennis en kunnen elkaar dus goede vragen stellen. Beter dan de leerkracht dat kan.''

Al doende construeren leerlingen dus hun eigen kennis. Precies zoals voorstanders van het Nieuwe Leren, verzamelnaam voor alle nieuwigheden in het onderwijs, dat graag zien. Nieuw leren draait om begrippen als samenwerking, eigen initiatief, leerlingen die invloed hebben op hun eigen leerproces en de docent als begeleider op de achtergrond.

Tot nog toe gebruiken scholen de computer alleen voor het opzoeken van informatie. Niet als hulpmiddel voor samenwerkend leren. ``Een van mijn opponenten schreef: 'met de I zit het wel goed, maar de C is nog ver te zoeken bij ICT'. Dat geldt zeker voor ons onderwijs'', zegt Van der Meijden. Aan het enthousiasme van de leerling ligt het niet. Al zijn niet alle leerlingen even handig met de computer. Van der Meijden ontdekte een groot verschil in computervaardigheden in het basisonderwijs. De ene leerling tuurt bij elke nieuwe letter het toetsenbord af, de ander tikt vlotjes met tien vingers. ``De kinderen die een typecursus achter de rug hadden, leverden een grotere bijdrage aan de rekentaak. Ze gaven ook meer uitleg dan andere kinderen. Dat was heel frappant. Als je ervan uitgaat dat je meer leert naarmate je meer uitleg geeft, dan heeft het kunnen typen dus direct invloed op je prestatieniveau.'' De onderwijskundige pleit voor een cursus typevaardigheden op de basisschool. ``Kinderen die op de basisschool niet leren typen, beginnen op de middelbare school meteen al met een achterstand.''

In het studiehuis zijn leerlingen ook bezig met dat nieuwe leren. Al komt het samenwerken op de middelbare scholen maar moeizaam op gang. Van der Meijden: ``Docenten hebben vooral problemen met de organisatie van het samenwerken. Een veel gehoord bezwaar is dat ze niet goed weten wie wat doet in een groep, ze kunnen niet achterhalen wie er meelift.''

Van der Meijden onderzocht hoe middelbare scholieren samenwerken op de computer. Een kleine tweehonderd leerlingen uit klas drie en vier van havo en vwo werkten in groepjes samen aan een taak bij natuurkunde, biologie, en geschiedenis. Ze moesten bijvoorbeeld uitzoeken hoe de gezondheidszorg werkt in Nederland. Het ene groepje zocht dat uit voor bejaarden, een ander groepje dook in de kraamzorg, weer een ander groepje in de gehandicaptenzorg. De leerlingen formuleerden zelf onderzoeksvragen bij het onderwerp. In een discussieplatform reageerden ze op elkaars verslagen. Weer boog Van der Meijden zich over stapels computeruitdraaien. Ze vond een statistisch significant verschil tussen havisten en vwo'ers. Vwo'ers geven elkaar meer uitleg dan havisten. ``Havisten laten zich vaker afleiden, zijn meer bezig met social talk. Ze maken ook meer opmerkingen over hoe ze de taak zullen uitvoeren. Dat laatste lijkt vwo-leerlingen makkelijker af te gaan. Zij hebben sneller door hoe ze iets moeten aanpakken en kunnen dus meer tijd besteden aan de inhoud.''

Het uitleg geven gaat beter via een discussieforum dan via een chatprogramma. Dat bleek uit een derde onderzoek van Van der Meijden waarin Nederlandse en Italiaanse scholieren samenwerkten in een driedimensionale leeromgeving. De Italiaanse scholieren moesten een Nederlandse keuken opzetten met Nederlandse gerechten. De Nederlandse scholieren een Italiaanse keuken. ``Je kreeg een levendige uitwisseling van informatie in de trant van: wat is jullie nationale gerecht en wat is erwtensoep eigenlijk.''

De scholieren gebruikten daar vaker het discussieforum voor dan het chatprogramma. Chatten bleek een geschikte manier om contacten te leggen, maar niet om informatie uit te wisselen. Bij een chat blijft de tekst maar kort in beeld, meestal is sprake van een scrollend beeld. Zinnen zijn niet langer dan vijf tot zeven woorden. En de woorden zelden groter dan vijf tot acht letters. ``Mensen nemen in een chat niet de tijd om na te denken en duidelijke zinnen te formuleren. In tegenstelling tot een discussieforum waarbij de informatie zolang op het scherm blijft staan als de gebruiker wil en permanent kan worden opgevraagd.''

psv

Haar onderzoek met de Nederlandse en Italiaanse scholieren illustreert volgens Van der Meijden dat samenwerking pas goed van de grond komt als partijen elkaar nodig hebben. ``Het idee dat leerlingen in groepjes spontaan gaan communiceren en dan verder komen dan `wat doet PSV vanavond', is een fictie. Je moet als docent goed voor ogen hebben wat je wilt bereiken, hoe je de groepen samenstelt en hoe je ervoor kunt zorgen dat de leerlingen elkaar nodig hebben voor het maken van hun opdracht. De leerlingen in dit project waren van elkaar afhankelijk in hun informatievoorziening. Ze móesten wel samenwerken.''