Verplichte vrijheid is eerder een probleem dan een oplossing je moet kunnen kiezen tegen keuzevrijheid-

Ontevredenheid, gebrek aan kwaliteit? Een deel van links denkt dat `vrijheid' het antwoord is en probeert dat ideaal te heroveren op rechts. Maar vaak willen mensen helemaal niet hoeven te kiezen. Pas op voor het virus van de keuzemoeheid.

Van wie is vrijheid geen ideaal? Op een enkele aanhanger van de Edmund Burke Stichting na droomt iedereen in Den Haag van nog meer vrijheid. Blijkbaar wordt die in Nederland vreselijk ingeperkt. Ooit had `Paars' de vrijheid hoog in het vaandel. Inmiddels heeft GroenLinks dat vaantje overgenomen met de publicatie van het boek `Vrijheid als ideaal'. Met ingewikkelde tournures probeert links nu het aan rechts verloren ideaal van De Vrijheid terug te eisen.

Dat is vreemd voor een politieke stroming die nog wel wat stemmen kan gebruiken. Want wie luistert naar de kiezer – of het nu op straat is, in studies van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) of van het Centraal Planbureau – ziet dat burgers niet staan te springen om meer vrijheid. Liever minder keuzes dan meer, en liefst nog gewoon een goede standaardregeling. En liever kiezen wanneer het er echt toe doet in je persoonlijk leven – een nieuwe liefde of hoofddoek – dan je te verliezen in kiezen op alle fronten. De verplichte vrijheid is eerder het probleem dan een oplossing.

Waarom slaan zoveel politici de plank mis met hun verlangen om nog meer keuzemogelijkheden te introduceren? Waar komt toch dat beeld vandaan van ontevreden kiezers die moeten worden gelokt met de belofte van `echte vrijheid'? En waarom willen Nederlanders hun vrijheid niet gebruiken, waarom kiezen ze niet de beste en goedkoopste opties?

In een empirische studie naar het gebruik van keuzevrijheid in Nederland op verschillende beleidsterreinen hebben wij de feiten over het gedrag en de verlangens van mensen op een rij gezet. Een van de eerste conclusies luidt, dat Nederland al Europees kampioen kiezen is. Alle gemopper over sovjetzones in de dienstverlening ten spijt is de optelsom van keuzemogelijkheden die de Nederlander heeft, in het onderwijs, in de gezondheidszorg of de kinderopvang, groter dan die van zijn Europese buren. In het buitenland heb je soms iets meer te kiezen – zo biedt in Scandinavië de sociale zekerheid meer mogelijkheden en in België de gezondheidszorg – maar alles bij elkaar heeft de Nederlandse burger de meeste vrijheid in de vormgeving van zijn dagelijks leven.

Men zou op zoek naar een alternatieve kampioen ook nog naar de Verenigde Staten kunnen kijken. De Amerikanen hebben pas écht veel vrijheid. Maar een groot deel van de keuzemogelijkheden aan de overkant van de oceaan zijn zo sterk verbonden met het inkomen dat ze voor grote groepen van de bevolking geen of weinig betekenis hebben.

Het is niet voor niets dat Nederland zo goed scoort: keuzevrijheid kent hier een oude traditie, zij het in verschillende gedaanten. Zowel de christen-democratie als de sociaal-democratie heeft aan het begin van de 20ste eeuw veel werk gemaakt van de zelfbeschikking van burgers. Neem het streven naar pluralisme uit de christen-democratische traditie. Dat komt met name tot uiting in de vrijheid van onderwijs. De school moest op een zo laag mogelijk niveau in de maatschappij vorm krijgen, het was aan de ouders om te kiezen en aan de staat om te betalen. Die logica vertaalde zich met de groei van de verzorgingsstaat naar andere terreinen, zoals welzijn en gezondheidszorg.

In de jaren '70 waren het de sociale bewegingen eerder dan de politiek die meer ruimte schiepen om keuzevrijheid in te zetten. Vrouwenbewegingen, patiëntenbewegingen zetten democratisering, empowerment en autonomie op de agenda. Het recht op zelfbeschikking betekende een aanzienlijke toename van keuzevrijheid. Hieruit komt bijvoorbeeld het persoonsgebonden budget voort, Nederlands icoon van de keuzevrijheid. Cliënten of patiënten mogen hun eigen zorg kiezen. Want zij weten welke zorg het beste voor hen is.

Een derde bron van keuzevrijheid vormen de pogingen, sinds de jaren '80, de verzorgingsstaat te hervormen. Doordat de verzuiling op haar laatste benen begon te lopen – de burgers emancipeerden zich voorbij de zuilen en de zuilen zelf waren te afhankelijk van de staat geworden - viel er een ideologisch gat. Daar stapte het neoliberalisme succesvol in. Met als sturend idee dat keuzevrijheid via de markt gerealiseerd moet worden. Het klassiek-liberale idee is immers dat hoe minder de burger de staat tegenkomt, hoe meer vrijheid hij heeft. Burgers, zo is de veronderstelling, kennen hun belang erg goed en ze moeten daar ook zelf naar kunnen handelen.

Die laatste invulling van keuzevrijheid – het kiezen als consument – is nu dominant. Zo krijgen burgers vanaf 1 januari 2006 in het nieuwe zorgstelsel meer te kiezen. Het kabinet-Balkenende II hoopt dat de ziekenzorg hierdoor beter gaat functioneren. Iedereen moet bovendien zelf gaan kiezen of en in welke vorm hij gaat meedoen aan de nieuwe levensloopregeling. En als het goed is, ligt er op ieders deurmat inmiddels een aanbieding van het desbetreffende pensioenfonds voor een regeling.

De vraag is van wie dit een ideaal is: van burgers of van politici en beleidsmakers. Van de meeste politici, zo blijkt. En van de beleidsmakers, schreef het SCP al in 2002. En uit ons onderzoek blijkt dat op allerlei terreinen – van kinderopvang en gezondheidszorg tot pensioenvoorzieningen – mensen niet staan te springen om te kiezen. Nederlanders zijn eerder tevredenheidsdieren dan vrijheidsmaximaliseerders. Ze kiezen liever een beetje dan alles. Willekeurige pleidooien voor ,,nog meer vrijheid'' zeggen de Nederlanders op dit moment weinig. `Keuzevermoeidheid' en `keuzestress' nemen toe.

Deze zomer onderzocht het Rotterdams Dagblad in samenwerking met CentERdata van de Universiteit van Tilburg of en hoe mensen een aantal van de door het kabinet-Balkenende voorgestelde sociale wijzigingen hebben begrepen. Op basis van dat onderzoek zou je kunnen stellen dat een groot aantal Nederlanders de kabinetsplannen met betrekking tot keuzevrijheid niet kan of wil volgen. Van de ondervraagden zei 46 procent geen tijd te hebben voor dergelijke keuzes. Ze vonden het bovendien de taak van de overheid om goede voorzieningen te regelen. Slechts 25,1 procent was het daar niet mee eens. De rest van de bevolking bleek neutraal. Ruim de helft van de ondervraagden zei bang te zijn een verkeerde (lees: te dure) zorgverzekering of levensloopregeling te kiezen.

Uit de vrijheid op de energiemarkt spreekt minder stress, maar ook niet veel hoop voor de pleitbezorgers van keuzevrijheid. Van de sinds kort ingevoerde mogelijkheden om een eigen elektriciteitsleverancier te kiezen maakte tot op heden zo'n 8 procent van de burgers gebruik. We kunnen dit schouderophalend afdoen, onder het motto: als mensen te lui of te dom zijn om hun eigen voordeel op te halen, moeten ze dat zelf weten, dan moeten ze maar meer betalen. Maar onder anderen de Amerikaanse psycholoog Barry Schwartz (zie Opinie & Debat, 29 januari) en de Amerikaanse politicoloog Robert Lane leggen een duidelijke link tussen een overschot aan mogelijkheden en depressie. Schwartz stelt in zijn boek The paradox of choice dat wanneer burgers worden gezien als gemaksdieren, hun welzijn eerder toeneemt dan wanneer men redeneert alsof iedereen het onderste uit de kan wil, omdat meer keuze helemaal niet meer geluk betekent.

Meer kunnen kiezen maakt mensen dus niet actief, zelfredzaam, zoals het kabinet wil, het slaat ze lam. Economen weten dat al lang. Een homo economicus wil juist niet veel te kiezen hebben.

Het lijkt erop dat het vrije-keuzeparadigma van veel beleidsmakers en politici vooral als doel heeft de burger uit de boeken van de staat te krijgen. Moderne vrijheid blijkt een synoniem voor consumentengedrag en niet voor de twee andere Nederlandse tradities van vrije keuze: een overheid die pluralisme garandeert (zoals voorheen door de christen-democraten gedragen) of ter emancipatie van individuen en groepen. Het dominante idee is niet dat burgers vrijer worden, maar dat er goede markten ontstaan. Die kunnen, zo is de gedachte, veel betere dienstverlening bieden dan de staat.

Dan is het niet zo gek dat burgers ontevredener worden. Want een goede keuze vergt een echte markt, en die wordt in Nederlandse dienstverlening zelden gerealiseerd, zo hebben wij geconstateerd: ,,Markten maken is een van de moeilijkste dingen die er zijn'', constateert de econoom Ewald Engelen in Vrijheid verplicht.

Bovendien vraagt de overheid consumentengedrag op terreinen waar mensen dat helemaal niet willen. Kijk naar de kinderopvang. Daar staat keuzevrijheid weliswaar centraal, maar maken ouders nauwelijks gebruik van de mogelijkheid om een andere crèche te zoeken, zelfs niet als de bestaande duur of slecht is. In academische termen: de neiging tot loyalty (aan de gemoedsrust van het kind) is veel sterker dan de neiging tot exit (je vrijheid nemen en zoeken naar een andere crèche). Mensen laten het wel uit hun hoofd van crèche te veranderen. De bijbehorende emotionele inspanning is voor kind en ouders te groot. Wat keuzevrijheid vooral heeft opgeleverd, is dat het informatieprobleem van de overheid is opgelost hoeveel opvang moet er waar precies zijn? Kwalitatief beter of goedkoper is het (nog) niet geworden. Integendeel. Alle kinderdagverblijven vragen nu 5 euro per uur – niks geen concurrentie – en het Nederlands Consortium Kinderopvang maakt zich, na degelijk onderzoek, zorgen over de kwaliteit, die de afgelopen jaren is afgenomen.

Of neem de gezondheidszorg. Komen de veranderingen in de gezondheidszorg de burger of de patiënt daadwerkelijk ten goede? Zijn wij nu echt zo verschillend dat er keuzevrijheid nodig is, willen we niet allemaal goed en snel worden geholpen? Meer dan de burgers lijken de verzekeraars geholpen met de keuze voor kiezende zorgconsumenten. Voor de burgers lijkt wel een groter kostenbewustzijn, met alle voor- en nadelen, in het verschiet te liggen. Dat was in wezen ook wat Hoogervorst op het oog had. In een interview in de Volkskrant dit voorjaar merkte hij op dat mensen die ervoor kiezen ongezond te leven, wat hem betreft minder rechten hebben op gezondheidszorg. Daar spreekt een terechte zorg uit voor de betaalbaarheid van voorzieningen en de gezondheid van mensen. Waarom zou je mensen niet kunnen aanspreken op hun individuele, domme keuzes: zowel zij als hun medeburgers kunnen daar beter van worden. De vraag daarbij is wel of er zo enige solidariteit overblijft met mensen die blijkbaar altijd verkeerde keuzes maken. Voor hen bestaat pech niet meer, ze hebben immers zélf voor hun eigen miserabele situatie gekozen.

Dat de redelijk gezonde middenklasseburger voordeel van het nieuwe zorgstelsel heeft, lijkt vast te staan. Voor de overige groepen mensen staat dat nog te bezien. Eerder is in de nabije toekomst doelgroepensolidariteit te verwachten, lotsverbondenheid gebaseerd op een gedeeld risico of een gedeelde kwaal.

Eigen keuzes maken, in verzekeringen, onderwijs of gezondheidszorg, maakt van ons individuele consumenten. Zelfbeschikking biedt wel meesterschap over het eigen leven, maar leidt zeker niet vanzelf tot collectieve actie. Integendeel. Individuele vrije keuze kan collectieve actie lastig maken. Van patiëntenorganisaties wordt veel verwacht in het nieuwe stelsel van gezondheidszorg. Zij moeten de burgerbelangen tegen politiek, instellingen en verzekeringsmaatschappijen verdedigen. Al vaker is gesignaleerd dat de patiëntenorganisaties eerder aan de hand van de minister van Volksgezondheid of van de medische industrie lopen dan dat zij hun eigen plan te trekken. En in Vrijheid Verplicht laten Margo Trappenburg en Stef Groenewoud zien dat ze zich vooral op één bepaalde groep richten, de chronisch zieken. Wie dat toevallig niet is, heeft pech. Burgers die zich heel modern op issues organiseren, zijn zeker niet zonder meer de breekijzers voor burgerbelangen die ze volgens de moderne keuze-ideologie wel zouden moeten zijn.

Dit zijn de perverse gevolgen van het onbekommerd pleidooi voor keuzevrijheid, dat klinkt als een ideaal, maar uitpakt als consumentisme. Het zou erg jammer zijn als de weerzin tegen deze vorm van vrijheid het onmogelijk maakte om over andere vormen van vrijheid te praten. De culturele vrijheid om een hoofddoek te dragen of om te beslissen hoeveel je wil werken en hoeveel je wil zorgen is van een andere aard en belangrijker dan de vrijheid om je te verdiepen in tientallen aanbieders van de levensloopregeling of zorgverzekering.

Het gaat erom vast te stellen welke vrijheid moderne mensen aanspreekt. Wie is er nog echt mee geholpen, en voor welke burgers dreigt keuzevrijheid onbedoeld te verworden tot een middel om zich te onttrekken aan als vervelend ervaren collectieve verplichtingen? De opgave is zichtbaar te maken onder welke omstandigheid kiezen weer kan helpen mensen te verheffen. Dat gaat over emanciperende keuzevrijheid, niet gestuurd door de gedachte dat de kiezende mens zich van anderen moet losmaken. Het betekent dat een ander idee centraal moet staan, namelijk dat de kiezende mens zijn levenskwaliteit kan verhogen.

Die notie, dat vormgeven aan het goede leven voorop moet staan, komt in het recente jargon over vrijheid of keuzevrijheid niet of nauwelijks aan bod. Voorwaarden voor welzijn, voor tevredenheid, voor greep op je bestaan zijn niet noodzakelijk een scala aan opties op de meest uiteenlopende terreinen. Je leven zelf in de hand hebben vergt wel onderwijs naar voorkeur of vrije partnerkeuze, maar heeft niet per se iets te maken met het maken van prijsvergelijkingen per school of geliefde.

Kunnen kiezen is op sommige terreinen, voor sommige mensen een grote vooruitgang. Maar de vrije keuze heeft zich als griepbacil verspreid. Ook waar deze de burger niets oplevert en alleen maar tot vermoeidheid leidt.

De keuzevermoeidheid of keuze-ergernis is daarom een slechte ontwikkeling. Dit kan maar al te makkelijk afbreuk doen aan alle vormen van keuzevrijheid, ook die vormen waar burgers juist wél behoefte aan hebben. Nu keuzevrijheid bij het grofvuil zetten zou nadelige gevolgen hebben voor meisjes die willen kiezen om met een hoofddoek op te lopen. Voor chronisch zieken die graag willen kiezen waar ze verzorgd worden en door wie. Willen kiezen komt voort uit ontevredenheid over kwaliteit. Als de school van je kind niet deugt, wil je naar een andere. Als de thuiszorginstantie faalt kies je liever een andere.

Het (links-)liberale misverstand is dat meer vrijheid een antwoord is op ontevredenheid en gebrek aan kwaliteit. Maar mensen willen in veel gevallen liever niet kiezen: ze willen dat de overheid hun standaard iets biedt dat bij hen past. Belangrijker dan pleiten voor méér vrijheid, is dus het vaststellen hoe je inhoud aan die vrijheid wil geven, en in welke sferen van het leven.

Leden van de middenklasse hebben meer aan keuzevrijheid dan mensen uit achterstandswijken, de eersten kunnen er hoogstwaarschijnlijk cognitief en financieel meer inhoud aan geven. Keuzevrijheid kan dus wel degelijk helpen om de eigengereide en mondige burger betrokken te houden bij die verzorgingsstaat. Dat is ook nodig, want als de verzorgingsstaat past bij de wensen van de meerderheid, voelen weinigen de aandrang om zich af te keren. Maar zinvolle vrijheid wil hier zeggen: jongeren en hoger opgeleiden de kans te bieden hun eigen weg te volgen door hun binnen het systeem beperkte keuzemogelijkheden te bieden.

Kiezen, maar niet te veel, en met een duidelijk afgebakend doel. En voor het merendeel van de mensen moet vooral een goede standaardkeuze ontwikkeld worden. Labour-bewindslieden uit Engeland noemen dat supported choice. Liever een helder recht op scholingsverlof dan knutselen met de levensloopregeling.

Kunnen kiezen is vooral belangrijk voor groepen mensen wier welzijn nog flink omhoog kan. Vrouwen die kiezen om niet te zorgen. Mannen die kunnen kiezen om wel te zorgen. Migranten die hun eigen identiteit kunnen kiezen. De chronische patiënt die dagelijks ervaring heeft met zorg en die door veel tijd door te brengen op internet precies weet wat hij wil en wat hij nodig heeft, voor hem is het gesprek met de specialist wezenlijk iets anders dan voor degene die plotseling zes folders van energieleveranciers op schoot krijgt. De combinatie van werk en zorg (voor ouders of kinderen) is voor veel werkenden al een probleem, maar tweede en derde generatie allochtonen worden letterlijk in een spagaat getrokken. Van huis uit komt de morele druk om voor de ouderen van de familie te zorgen, wat vooral geldt voor de vrouwen. Vanuit de maatschappij komt een dubbelzinnig signaal: om vooral te gaan werken, én om – weer – de ouders te verzorgen. Omdat er weinig geld beschikbaar is om mantelzorg te faciliteren, is van reële keuzemogelijkheden voor grote groepen allochtonen geen sprake. Het in termen van werk en verlof en huisvestingsmogelijkheden mogelijk maken om voor familiezorg te kiezen, zou een wezenlijke bevrijding voor een grote groep mensen inhouden. Dat is dus geen keuzevrijheid waarbij de overheid zich terugtrekt, integendeel.

Liberalen van allerlei snit suggereren nu dat vrijheid de crux van onze tijd is. Maar er is ook te veel vrijheid, en zeker een verkeerd soort vrijheid. En vrijheid botst bovendien nog steeds met gelijkheid en solidariteit. Een polis of energieleverancier kiezen is wellicht nodig, maar (zeker) niet per se leuk. En zeker geen ideaal. Het is niet voor niets dat geen burger er ooit om vroeg. Als het moet, dan moet het, maar noem de zogenoemde keuzemogelijkheid dan ook wat deze is: plicht.

Emanciperende keuzes gaan over het opvoeden van kinderen, seksualiteit, geloofsovertuiging, over hoe je werk en zorg combineert, over vergroting van het welzijn van mensen: vrijheid.

Menno Hurenkamp is hoofdredacteur van TSS, tijdschrift voor sociale vraagstukken, en samen met Jan Willem Duyvendak verantwoordelijk voor de bundel `Kiezen voor de kudde'. Kremer is verbonden aan de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Samen voerden Hurenkamp en Kremer de redactie van het deze week verschenen boek `Vrijheid Verplicht. Over tevredenheid en de grenzen van keuzevrijheid'.

(Meer informatie over het aangehaalde boek: www.vrijheidverplicht.nl)