Schoolniveau

Vorige week trof u in deze bijlage het verslag aan van een onderzoek naar leesgewoonten van scholieren. De leesliefde bleek samen te hangen met het opleidingsniveau. Van de vmbo'ers vindt 36 procent lezen leuk, tegenover 57 procent van de havisten en 64 procent van de vwo'ers. Die verschillen stemmen overeen met wat je op grond van talloze overwegingen zou verwachten: hoe hoger het opleidingsniveau, hoe beter leerlingen kunnen lezen, des te groter ook de kans dat ze komen uit een milieu waar veel wordt gelezen, hoe meer ze met boeken in aanraking komen, hoe groter de kans op een goed opgeleide leraar die leerlingen wegwijs maakt op boekengebied, enz.

Opvallend is dat het verschil tussen vmbo'ers en havisten veel groter is dan dat tussen havisten en vwo'ers. Wat is er nu zo misleidend aan deze voorstelling van zaken?

Het aandeel van de vmbo'ers in het onderzoek bedroeg, geheel conform de populatie, 60 procent want, inderdaad, zo groot is het aandeel van het vmbo in het totale bestand. Maar wat zegt dat over het niveau van het onderwijs dat die leerlingen volgen? De andere 40 procent wordt opgesplitst in twee niveaus. De vmbo'ers daarentegen die samen meer dan de helft van de populatie betreffen, worden allemaal op één hoop gegooid.

Het geldt niet alleen voor dit onderzoek, maar ook voor allerlei discussies dat de suggestie wordt gewekt dat het vmbo één bepaald schooltype zou zijn. De verschillen tussen de verschillende subcategorieën zijn evenwel enorm. Zo trof u enige tijd geleden in deze krant de verontwaardigde reactie aan van een vmbo-bestuurder die zich ergerde aan het feit dat de publicist Kees Beekmans zijn school typeert als een vmbo-school terwijl het daarbij gaat om een school, aldus de criticus, die eerder het karakter heeft van speciaal onderwijs bedoeld voor probleemleerlingen. Daar had die bestuurder gelijk in, dat is misleidend maar niet incorrect, want met de introductie van het vmbo heeft men allerlei soms zeer verschillende schooltypen op één hoop gegooid. Dat geldt ook voor het andere uiterste van het vmbo-firmament: de mavo-scholen die vaak deel uitmaken van een havo/vwo-school of als zelfstandige mavo opereren. De leerlingen daar tonen veel meer verwantschap met die van de havo dan met die van scholen zoals die van Beekmans. Hetzelfde geldt trouwens voor sommige mavo's die deel uitmaken van een vmbo, maar op een aparte locatie zijn ondergebracht en daar een ogenschijnlijk zelfstandig leven leiden. Kortom, we zien geleidelijk weer dezelfde situatie ontstaan zoals die vroeger ook was. Overigens beter dan vroeger, omdat de mavo inmiddels weer de mavo is zoals oorspronkelijk bedoeld en niet langer uitgebreid met de afgezwakte niveaus zoals dat enige tijd geleden het geval was. Die leerlingen voor wie de `echte' mavo te moeilijk is, gaan nu naar het praktijkgerichte vmbo, waar ze ook meer op hun plaats zijn.

We zouden er verstandig aan doen als we die verschillende sectoren binnen het vmbo ook weer als zodanig zouden gaan benoemen. Niet alleen ter wille van de duidelijkheid zoals in het geval van een onderzoek naar leesgewoonten, maar ook omdat het als maatschappij van belang is te weten hoe het leerlingenbestand verdeeld is over verschillende typen onderwijs. Zolang we dat niet weten kan er ook geen beleid worden gevoerd. Die duidelijkheid is ten slotte ook in het belang van die sector zelf. Het massale karakter dat de verzamelnaam vmbo oproept heeft de beeldvorming in die sector bepaald geen goed gedaan.

lgm.prick@worldonline.nl