Plan degradeert componist tot gezichtsloze scharrelaar

In de late 19de eeuw dachten veel buitenlanders, onder hen bekende musici, dat ,,de muzikale smaak van de Hollander, met voorop operette, goedkope deuntjes en veel `tingeltangel', van vóór de ijstijd (blijkt) te dateren''. Het is pas in de 20ste eeuw dat deze situatie, dankzij de krachtige inzet van enkele generaties componisten en muzikanten, drastisch en (dacht men toen) voorgoed veranderde. Zo zijn instellingen als Donemus, Gaudeamus én het Fonds voor de Scheppende Toonkunst ontstaan, allemaal in dienst van de nieuwe muziek, de componist en vooral de Nederlandse cultuur.

Ik ken géén buitenlandse collega die zich níét met bewondering en zelfs jaloezie uitspreekt over wat men in dit land voor de hedendaagse muziek heeft gedaan en Nederland tot een van de meest markante muzieklanden ter wereld heeft doen groeien.

Het is dus jammer dat we binnenkort met nostalgie de 20ste eeuw als de `gouden eeuw' van de Nederlandse muziek zullen moeten beschouwen. Want het voornemen van staatssecretaris Van der Laan om het Fonds voor de Scheppende Toonkunst (FST) op te heffen (NRC Handelsblad, 13 oktober) is een verdere stap in het systematisch slopen en `middelmatiseren' van de Nederlandse muziekcultuur die al lang gaande is (denk aan de orkesten en de omroep).

Dat een unieke instelling als het FST niet altijd optimaal functioneert en niet iedereen tevreden kan stellen (in de veronderstelling dat zoiets überhaupt bestaat), is al lang bekend. Maar zoals met alles wat goed is, hoewel hier en daar een beetje gebrekkig, kan men ook het Fonds met enkele aanpassingen sterk verbeteren en vooral als zodanig behouden. Dit hanteert niet alleen een heldere en evenwichtige verdeling van de beschikbare subsidies, het bevordert ook de positie, de identiteit én de prestatie van meerdere componisten.

Het opnemen van het FST in het Fonds voor de Amateur- en Podiumkunsten doet de relevantie van nieuw gecomponeerde (Nederlandse) muziek verwateren en degradeert de componist van professionele deskundige tot grijze, gezichtsloze scharrelaar binnen de muziekwereld. Dat mevrouw Van der Laan dit tijdens haar vooropleiding harp jaren geleden niet heeft kunnen inzien, kan men haar niet kwalijk nemen. Als staatssecretaris van Cultuur zou ze echter beter moeten weten.