NS tracht reizigersbelang altijd goed te dienen

In `Laat de NS maar hard rijden' blijkt dat hoogleraar Bouwens de spoorsector onvoldoende kent (Opiniepagina, 4 oktober). Met de vervoersconcessie wordt het maatschappelijk belang gewaarborgd. Zo is de jaarlijkse tariefaanpassing gemaximeerd tot de stijging van de inflatie en van de gebruiksvergoeding van het spoor. NS kan de kostprijs dus niet zomaar laten oplopen.

Bouwens' conclusies m.b.t. gedifferentieerde tarieven herken ik niet. Hij gaat aan het volgende voorbij:

In de treinen vlakbij de grote steden zitten de meeste reizigers. Dit aantal reizigers bepaalt de treincapaciteit voor de gehele rit, ook al is deze trein het langste deel van de rit maar gedeeltelijk bezet. Daarmee zorgen de reizigers die een korte reis van of naar de stad maken en daar in lijn met de reisafstand ook een lage prijs voor betalen, per reizigerskilometer voor veel hogere kosten. Het kostenverschil rechtvaardigt naar onze mening een prijsverschil;

De spoorsector is een prijs-inelastische markt. Bij een prijsverlaging is het omzetverlies door minder omzet per reizigerskilometer namelijk groter dan de omzetstijging door extra vraag;

Een algemene tariefstijging in het hele land leidt tot een groter verlies van reizigerskilometers dan het `Randstaddubbeltje'.

Overigens heeft het ministerie van Verkeer en Waterstaat over onze wens nog geen standpunt bepaald. Omdat we er nog over spreken, wordt het nog niet per 2006 ingevoerd. Tot slot, NS tracht altijd het reizigersbelang en het maatschappelijk belang zo goed mogelijk te dienen. De stijgende waardering van de klanten en de toename van het aantal reizigers laten zien dat wij die balans inmiddels weten te vinden.