Keizer met gebreken

Keizer Julianus wilde van het christendom af en terug naar de cultus van Romeinse goden. Moderne historici zien in de weerklank van zijn korte regeerperiode een parallel met paus Johannes XXIII en president Kennedy.

OP 26 JUNI 363 na Christus, tijdens zijn veldtocht tegen de Perzische koning Sapor II, gunt de Romeinse keizer Julianus zich niet de tijd om zijn borstpantser aan te gespen. Aan de oever van de Tigris schiet hij in galop de onverhoeds aangevallen achterhoede van zijn leger te hulp en stort zich in het krijgsgewoel. Plotseling schampt een ruiterspeer zijn arm, doorboort de ribben en blijft in zijn lever steken. De van zijn paard gevallen keizer wordt in allerijl naar zijn tent gebracht, waar artsen zich over hem ontfermen. Hij staat erop terug te keren naar het slagveld, maar hij is te zeer verzwakt.

Als tot hem is doorgedrongen dat zijn wond dodelijk is, steekt Julianus een afscheidsrede af, waarin hij de goden dankt dat zij hem toestaan op het hoogtepunt van zijn roem de wereld te verlaten. Zijn getrouwen, die nu hun tranen de vrije loop laten, berispt hij, want het is, zegt hij, niet gepast te treuren om een keizer die een plaats heeft verdiend onder de sterren. Met de bevriende filosofen Maximus en Priscus voert hij nog een diepgaande discussie over de goddelijke natuur van de ziel, totdat de wond in zijn zijde zich opent en de zwelling in de bloedvaten hem de adem beneemt. Hij vraagt om een beker koud water, drinkt een paar slokken en geeft om middernacht vredig de geest. Julianus werd 31 jaar en bekleedde slechts twintig maanden het ambt van keizerlijk alleenheerser.

Het bovenstaande is een samenvatting van boek 25 hoofdstuk 3 van de Res Gestae, het werk van de geschiedschrijver Ammianus Marcellinus. Vier Nederlandse wetenschappers hebben onlangs een uitvoerig commentaar op dit boek afgerond. Hun commentaar is onderdeel van een project dat medio jaren tachtig startte en dat tot doel had alle ons overgeleverde boeken van Ammianus, de laatste grote Romeinse geschiedschrijver, te interpreteren en verduidelijken. Het commentaar verschaft, zegt mede-auteur D. den Hengst, een scherper beeld van Ammianus' kijk op zijn tijd en van diens visie op Julianus in het bijzonder. ``Er komt geen geheel nieuw, maar wel een verfijnder beeld van de keizer uit naar voren.'' Collega H.C. Teitler: ``Met z'n vieren bieden we bouwstenen voor een genuanceerder beeld dat voor verder onderzoek kan worden gebruikt, maar we pretenderen niet het laatste woord te hebben.''

Dat Ammianus aan het sterfbed van de keizer heeft gestaan is niet aannemelijk, omdat hij niet tot diens intimi behoorde. Maar hij was wel in de buurt. Ammianus streed als garde-officier mee met het Romeinse leger tijdens Julianus' Perzische expeditie. Ongetwijfeld heeft hij zich grondig geïnformeerd over de plotselinge dood van de controversiële keizer die in een uiterst korte regeerperiode (aleenheerser van 361 tot 363) een gedurfde poging deed het opkomende christendom een halt toe te roepen en terug te keren naar de oude cultus van de goden terwijl Constantijn de Grote (regeerde vanaf 312 samen met Licinius, alleenheerseer van 324 tot 347) in 314 juist besloten had het christendom te steunen.

onpartijdig

Ammianus' veelzijdigheid en zijn streven de zaken onpartijdig weer te geven maken hem tot een cruciale bron voor de kennis van de Late Oudheid. Hij is heiden, maar zijn mededelingen over de christenen zijn opvallend genuanceerd. De achttiende-eeuwse Engelse geschiedschrijver Edward Gibbon noemt hem in zijn Decline and Fall of the Roman Empire `een accurate en betrouwbare gids'.

In zijn commentaar op de beschrijving van Julianus' dood tovert Ammianus de lezer de ideale filosoof-keizer voor: moedig op het slagveld, sereen als de tijd daar is. Julianus' levenseinde, aldus het commentaar, vertoont een frappante overeenkomst met dat van de ter dood veroordeelde wijsgeer Socrates zoals Plato in zijn Phaedo beschreef – de besloten ruimte van de tent en van de kerker, de filosofische gesprekken, de ongebroken geestkracht van de hoofdpersoon, het terechtwijzen van de wenende vrienden, de beker water tegenover de beker met gif. Ammianus, die zijn klassieken paraat had, toont zich vertrouwd met het werk van auteurs die eerder het stervensuur van illustere figuren beschreven en hij steunt hier onmiskenbaar op een literaire traditie. In hoeverre die zijn verslag heeft gekleurd is niet meer te traceren, maar dat de filosofisch geschoolde keizer op zijn sterfbed, ondanks zijn pijnlijke kwetsuur, met zijn vrienden over vragen van leven en dood heeft gesproken, is natuurlijk zeer wel mogelijk.

Al zeventig jaar geleden werd het commentaar op de Res Gestae van Ammianus Marcellinus in gang gezet. In 1935 publiceerde de classicus P. de Jonge als zijn proefschrift een filologisch-historisch commentaar op boek 14, Ammianus' eerste bewaard gebleven boek (zie kader) De Jonge ging daarna nijver verder en leverde bijna vijftig jaar later op hoge leeftijd zijn commentaar op boek 19 af.

De sterk vergrote kennis van de Late Oudheid en de toegenomen specialisering leidden er daarna toe dat halverwege de jaren tachtig een team van drie Nederlandse specialisten werd geformeerd om zijn werk voort te zetten. Twee filologen: J. den Boeft, nu emeritus hoogleraar Latijn aan de Vrije Universiteit, en D. den Hengst, emeritus hoogleraar Latijn aan de Universiteit van Amsterdam, en de oudhistoricus H.C. Teitler, voormalig hoofddocent aan de Universiteit Utrecht. Enkele jaren later voegde de oudhistoricus J.W. Drijvers, docent aan de Rijksuniversiteit Groningen, zich bij hen. In ruim twintig jaar heeft het viertal de delen 20 tot en met 25 van commentaar voorzien.

hausse

Vooral na de Tweede Wereldoorlog groeide de kennis van de Late Oudheid, in het bijzonder onder toonaangevende Britse oudhistorici. Het standaardwerk van A.H.M. Jones van 1964, The Later Roman Empire (284-602), A Social Economic and Administrative Survey, was de start van een exponentiële groei van economisch-historische studies, maar ook van taalkundig en literair onderzoek. De wetenschappelijke hausse van de laatste decennia over het vroege christendom vulde de informatie over de Late Oudheid nog eens verder aan – bijvoorbeeld met het nieuwe inzicht dat het christendom begin vierde eeuw ook onder de Romeinse elite al zo wijd verspreid was dat keizer Constantijn de Grote (oom van Julianus) in 314 helemaal geen vreemd besluit nam om het christendom te steunen, dat versterkte eenvoudigweg zijn machtsbasis.

Inmiddels heeft de belangstelling, die altijd was gericht op de eerste twee roemrijke eeuwen van het Romeinse Keizerrijk, een significante verschuiving ondergaan ten gunste van de latere eeuwen. De aandacht voor Ammianus, de laatste grote Romeinse geschiedschrijver heeft daarvan sterk geprofiteerd. Hij krijgt tegenwoordig zeker zoveel wetenschappelijke aandacht als bijvoorbeeld Tacitus of Livius.

Ontkomen aan de bloedige zuiveringen na de dood van keizer Constantijn de Grote, halfbroer van zijn vader, bracht Julianus met zijn eigen halfbroer Gallus zijn jeugd in afzondering door in het binnenland van Klein-Azië (Turkije). Hij was als kind gedoopt en genoot een christelijke opvoeding, maar kreeg wel de kans zich te verdiepen in de Griekse literatuur en filosofie. Zijn bewondering voor het klassieke erfgoed vervreemdde hem van het christelijk credo – dat hij rond zijn twintigste jaar afzwoer, wat hem de bijnaam `de Afvallige' bezorgde – en leidde tot een mystiek getint heidens geloof, doortrokken van het denken van de neoplatoonse filosoof Jamblichus. Het actief onderhouden van de godsdienstige rituelen en pogingen met de goden in direct contact te treden, waren daarbij van primair belang.

Eenmaal keizer geworden, in 361, zette hij zich met een aan fanatisme grenzende werkdrift in voor een heidens reveil. Hij liet per decreet de heidense tempels heropenen of herbouwen, offerdieren naar de altaren brengen en de eredienst der oude goden hervatten. Heidense priesters – een deel van hen was door het aan kracht winnende christendom al tot nietsdoen veroordeeld – stond hij toe op hun post terug te keren en de ketterse bisschoppen, verbannen door zijn christelijke voorganger Constantius II (regeerperiode 337 tot 340), riep hij terug. Waarmee hij erop speculeerde dat dit de interne verdeeldheid tussen de christenen zou aanwakkeren. Want, zo schrijft Ammianus, de ervaring had Julianus geleerd `dat zelfs wilde dieren niet zo agressief zijn tegen mensen als de christenen tegenover elkaar'.

Het meest rigoureus was het keizerlijk Retoren-edict, dat christelijke docenten verbood de werken van klassieke auteurs te behandelen. Christelijke grammatici en leraren in de welsprekendheid zouden bij hun uitleg van de grote schrijvers uit de Oudheid immers niet kunnen nalaten met verachting te spreken over de door die schrijvers vereerde goden. Het edict was een onverbloemde oorlogsverklaring aan het christelijk geloof, dat vijftig jaar eerder door keizer Constantijn met andere godsdiensten was gelijkgesteld en sindsdien een opvallende expansie vertoonde. Julianus' Retorenedict was duidelijk discriminerend, zegt Teitler. ``En het is jammer dat Ammianus zo weinig schrijft over de keizerlijke godsdienstpolitiek. Hij stelde zich welbewust in de traditie van de antieke historiografie en daar is godsdienst nauwelijks een thema.'' Dat was in die eerdere tijd misschien nuttig, maar in de door godsdiensttwisten verscheurde vierde eeuw toch wel opmerkelijk en vanuit modern historisch oogpunt sowieso jammer.

Ammianus streefde naar een onpartijdige berichtgeving, maar dat Julianus zijn grote held was, is evengoed met zoveel woorden én met een impliciete boodschap in zijn werk terug te vinden. De periode waarin en waarover hij schrijft, de tweede helft van de vierde eeuw, is een tijd van ideologische en politieke crisis, het oostelijk deel van het rijk staat op instorten. Tienduizenden Goten vestigen zich in de Balkan en bedreigen in toenemende mate zelfs Italië, wat in 410 zou leiden tot de verovering en plundering van Rome.

``Ammianus is een intelligente en goed geïnformeerde tijdgenoot, die probeert de gebeurtenissen te interpreteren'', zegt Den Hengst. ``Je kunt bij hem tussen de regels lezen dat iemand zou moeten opstaan om het imperium te redden. Daarvoor is geen halfgod nodig, maar een gewoon mens met de juiste instelling en de juiste moraal. Een serieus, toegewijd persoon. Iemand als Julianus.'' Teitler: ``De keizers voor en na hem staan bij Ammianus duidelijk in zijn schaduw, zowel in ruimte die zij in het geschiedwerk innemen als wat hun statuur betreft. Julianus vormt in de Res Gestae de morele maatstaf, de andere keizers komen zelfs niet bij hem in de buurt.''

afkeer

Julianus' militaire successen als Caesar (onderkeizer) in Gallië en zijn wetgevende arbeid mogen zeker niet worden onderschat. Maar zijn belang is toch vooral van cultureel-historische aard: een keizer die uit afkeer van een nieuwe (christelijke) wereld een reeds half vergane (heidense) wereld poogde terug te roepen en daarin grandioos faalde – het heeft de gemoederen altijd sterk verhit en verdeeld.

Eeuwenlang is een heftige strijd gevoerd tussen christenen, die hem verketterden, en bewonderaars, die hem, filosoof op de keizerstroon, prezen om zijn menselijkheid. In de Middeleeuwen doken steeds nieuwe verhalen en legendes op waarin `de Afvallige' werd voorgesteld, zo schrijft de Julianus-biograaf Joseph Bidez, als ``de handlanger van de hel, als magiër die tot de ergste gruwelen in staat was, als de eerste vertegenwoordiger van het satanisme dat de mens ertoe brengt Christus te verloochenen en zijn ziel aan de duivel te verkopen''. Zijn vroegtijdige dood was een voorbeeld van Gods wrekende toorn en een waarschuwing voor allen die de kerk de rug wilden toekeren.

Dat beeld kantelde pas tijdens de Verlichting, waarin Julianus van duivelse demon werd verheven tot een hoogstaand mens, de verkondiger van een nieuwe tijd. En nu, ruim zestien eeuwen na zijn dood, terwijl de felle hartstocht heeft plaatsgemaakt voor een meer afstandelijke benadering, zijn in het wetenschappelijk onderzoek ruwweg drie groepen te onderscheiden. Een zeer kleine schare met een zuiver positief oordeel over de keizer, een gering aantal dat een volstrekt negatief beeld schetst, en een overheersende groep die zijn karakter en zijn streven, met nadrukkelijke uitzondering van zijn godsdienstbeleid, gunstig waardeert.

Drie groepen, drie Julianus-beelden met hun vele schakeringen. De weerklank die de keizer had, is enorm, zegt Teitler. ``Wat dat betreft is hij enigszins te vergelijken met paus Johannes XXIII en de Amerikaanse president Kennedy, die ook betrekkelijk kort aan de macht waren en jaren na hun dood nog veel emotie opriepen.''

De dood van Julianus in boek 25 hoofdstuk 3 vormt de opmaat tot een necrologie in hoofdstuk 4, waarin Ammianus tot een eindoordeel komt. In een nogal schools betoog zet hij eerst de bona, de goede eigenschappen van de keizer, op een rij. Interessanter is natuurlijk de daaropvolgende beschrijving van de vitia, de keizerlijke gebreken. Julianus' hunkering naar populariteit bijvoorbeeld en zijn buitensporige verlangen om voor elk wissewasje uitbundig te worden geprezen. Zijn aanhoudende, zelfgenoegzame gepraat, zijn neiging tot overdrijving, die een constante in zijn leven vormde, zijn roekeloosheid en zijn impulsiviteit. Etruskische waarzeggers rieden hem dringend af om op 26 juni 363 ook maar iets te ondernemen, maar hij sloeg de goddelijke waarschuwing in de wind, liet het kamp opbreken en zijn soldaten in losse carré verder trekken. Toen het Perzische leger op die dag aanviel, schoot hij zijn manschappen te hulp. Zonder nadenken en zonder borstkuras. Dat laatste moge heroïsch overkomen, de strenge beroepsmilitair Ammianus vindt het onvergeeflijk. Maar verreweg het kwalijkst was het tegen christelijke docenten gerichte Retoren-edict. ``Meedogenloos'', oordeelt Ammianus. ``Waard om in stilte te worden begraven.''

lofrede

Die harde woorden zijn des te verrassender, omdat de historicus bij zijn introductie van Julianus had aangekondigd, dat alles wat hij over hem zou verhalen ``welhaast tot de stof van de panegyriek (lofrede)'' zou behoren. Met de beschrijving van de keizerlijke tekortkomingen trekt hij het beeld min of meer recht. ``Ammianus' kritiek is extra interessant, juist omdat hij de keizer zo zeer bewonderde'', zegt Den Hengst. ``Iedere geschiedschrijver manipuleert. Ammianus ook. Zijn verslag van de Perzische veldtocht bijvoorbeeld is apologetisch gekleurd. Die expeditie was in feite een militaire mislukking, Julianus onderschatte de uitgestrektheid van het Perzische rijk, hij liep in dezelfde val als na hem Napoleon en Hitler in Rusland.'' Maar deze te rooskleurige voorstelling kan nog wel door de beugel, zeker als je bedenkt, aldus Den Hengst, ``dat in de Oudheid geschiedschrijving vóór alles literatuur was en pas in de tweede plaats wetenschap in de moderne zin van het woord.''

De tijdens de Perzische veldtocht opgelopen dodelijke verwonding maakte een eind aan Julianus' keizerschap en aan zijn godsdienstpolitiek. De prangende vraag blijft: zou hij in zijn streven zijn geslaagd als hem meer tijd zou zijn gegund? Het is bekend dat het Oosten eerder was gekerstend dan het Westen en dat het christendom zich dieper in de steden dan op het platteland had genesteld, maar naar de precieze christelijke aanhang in het Romeinse rijk omstreeks 360 is het nog grotendeels gissen. De keizerlijke arm reikte ver, zegt Den Hengst. ``Als Julianus langer had geregeerd, zouden de christenen vrijwel zeker buiten het klassieke erfgoed zijn gehouden en als tweederangsburgers zijn gemarginaliseerd.''

Collega Teitler twijfelt. ``Het christendom zat sterk in de lift. Het bood veel meer zekerheid dan het wat vrijblijvende heidense polytheïsme. Het beschikte over een goede organisatie, bood houvast met zijn invloedrijke bijbel en predikte de naastenliefde, een voor de Oudheid nieuw, verwarmend gezichtspunt. Daarbij beloofde het ook aan slaven mooie dingen in het hiernamaals. Voor de verworpenen der aarde allemaal aantrekkelijke redenen om zich aan het nieuwe geloof vast te klampen. Of Julianus de zwellende stroom nog had kunnen tegenhouden, vraag ik mij af.''

J. den Boeft, J.W. Drijvers, D. den Hengst, H.C. Teitler: `Philological and historical commentary on Ammianus Marcellinus XXV'. 415 blz., Brill Leiden, Boston. ISBN 90 04 142142, Prijs: €105