Een vrome explosie

Religieuze waarden kunnen economische ontwikkeling helpen aanjagen. Socioloog Berger rekent af met de mythe dat modernisering tot secularisering leidt.

`ALS U DE BLIK omhoog richt, ziet u een gigantisch Duits gezicht dat op u neerkijkt. Dat is het gezicht van Max Weber.'' Veel toehoorders in de aula van de Vrije Universiteit keken onwillekeurig omhoog. Peter Berger, grand old man van de Amerikaanse sociologie, is een suggestief spreker. Hij vroeg vorige week tijdens een lezing in Amsterdam aandacht voor een onopgemerkte verjaardag. Het is dit jaar een eeuw geleden dat de beroemde Duitse socioloog Max Weber een invloedrijk opstel schreef: Die Protestantische Ethik und der Geist des Kapitalismus.

Weber (1864-1920) betoogde daarin dat de protestantse Reformatie in de zestiende eeuw (Luther, Calvijn) een stelsel van nieuwe waarden had ontwikkeld dat een belangrijke rol speelde bij het ontstaan van het moderne kapitalisme. Weber typeerde die waarden als innerweltliche Askese. Hij doelde daarmee op een sterk arbeidsethos, besloten in het denkbeeld `roeping'; op toekomstgerichtheid, wat psychologen `uitstel van beloning' noemen en wat tot uitdrukking komt in spaarzin; op een rationele benadering van economische activiteit, zonder voortdurende bekommernis om een of andere religieuze wet die iedere handeling dicteert; en, niet minder belangrijk, op belangstelling voor onderwijs. Protestanten wilden immers de bijbel kunnen lezen.

Het ging Berger niet om de honderdste verjaardag van een beroemd opstel, maar om de actualiteit ervan. De door Weber beschreven protestantse ethiek en vergelijkbare religieuze waardensystemen, zei hij in Amsterdam, blijken miljoenen mensen in Latijns Amerika, Afrika en Azië te inspireren tot rationeel economisch handelen. ``Weber had niet in elk opzicht gelijk'', zei hij twee dagen later in een gesprek met deze krant, ``maar hij stelde wel de juiste vragen. En hij ontwikkelde een concept, ascese in deze wereld, dat groot empirisch nut heeft. Het karakteriseert een waardensysteem dat nog steeds groepen mensen en hele samenlevingen beweegt in de richting van moderne economische ontwikkeling.''

Peter Berger (76) schreef in de jaren zestig twee lijvige handboeken: Invitation to Sociology (1963) en The Social Construction of Reality (1966). Dat tweede boek behandelt de sociologie van de kennis, een speculatieve subdiscipline die zich buigt over de maatschappelijke oorsprong van denkbeelden: van religie en ideologie tot wetenschap en kunst. Daarna verdiepte hij zich in de godsdienstsociologie. Berger was de eerste sociale wetenschapper die de in brede kring, ook door hemzelf, aangehangen theorie dat modernisering onvermijdelijk tot secularisering leidt als een vergissing bestempelde. In het grootste deel van de wereld bleek religie allerminst op zijn retour. Berger is sinds 1981 hoogleraar sociologie en theologie aan Boston University. Hij leidt daar al twintig jaar een interdisciplinair instituut dat op verschillende plaatsen in de wereld onderzoek doet naar het verband tussen cultuur, religie en economische ontwikkeling. Peter Berger beschouwt West-Europa als een seculier eiland in een oceaan van religiositeit. Zijn eigen Europese wortels – ooit trok hij als jonge Oostenrijker naar de Verenigde Staten – zijn vervaagd, vertelt hij. ``Het valt me nu veel makkelijker om een lezing te geven in het Engels dan in het Duits. Ik leef graag in Amerika. In Oostenrijk zou ik niet meer willen wonen, veel te provinciaals. Maar in een aantal opzichten ben ik Wener gebleven. Ik ben een pathologische moppentapper en ik heb een nogal melancholiek wereldbeeld, allebei heel Weense eigenschappen.''

Eén van uw eerste boeken, `The Social Construction of Reality', gaat over de sociologie van de kennis. Die is waarschijnlijk ook op u toepasbaar. Heeft uw emigratie geleid tot een besef van variatie in de sociale werkelijkheid en kan dit u op het spoor hebben gezet van de sociologie?

``Waarschijnlijk wel. Ik heb daar nooit over nagedacht, maar het lijkt me onvermijdelijk dat je, als je van de ene maatschappij verhuist naar een andere, je bewust wordt van de relativiteit van ideeën, waarden en levenswijzen. Dat moedigt een sociologisch perspectief aan, zeker.''

U houdt zich al enkele decennia bezig met religie. Niet veel van uw collega's hebben dat gedaan. Waarom eigenlijk niet?

``De reden daarvoor is heel eenvoudig: intellectuelen, en zeker intellectuelen die zijn opgeleid in de menswetenschappen, zijn een zeer geseculariseerd stelletje. In West-Europa is bijna iedereen seculier, maar in de VS vooral de intelligentsia.''

U stond tijdens uw lezing uitvoerig stil bij Webers `Protestantische Ethik'. Historici houden dit voor een verouderd inzicht in de rol van religie in de zestiende en zeventiende eeuw. Waarom vind u dat werk toch nog relevant voor de analyse van economische ontwikkeling?

``Het gaat me zowel om de protestantse ethiek in engere zin als om functionele equivalenten ervan, zoals het neo-confucianisme in Azië. De meest dynamische religieuze beweging van vandaag is de wereldwijde explosie van de Pinksterbeweging, een variant van het protestantisme. Die neemt ongelooflijke vormen aan. Ons instituut heeft deze ontwikkeling twintig jaar gevolgd in Latijns Amerika, vanaf het moment dat het nog om een onopvallend verschijnsel ging. Het meeste werk is gedaan door de Britse socioloog David Martin, schrijver van het in 1990 verschenen boek Tongues of Fire.

``Latijns Amerika is niet langer een katholiek continent. De meerderheid is nog steeds rooms-katholiek, maar er leven volgens onze schattingen 50 miljoen protestanten ten zuiden van de VS. Zo'n 80 tot 85 procent is eerste generatie en verreweg de meesten behoren tot de Pinkstergemeente. De nieuwe bekeerlingen komen uit arme, marginale groepen. De gemeente is de eerste eigen instelling die hun een stem geeft. De predikanten komen voort uit eigen kring en zijn meestal zelf arm en slecht opgeleid. En de solidariteit is groot. Deze variant van het protestantisme is niet calvinistisch, maar zeer emotioneel. Tijdens erediensten laat men zijn gevoelens de vrije loop en dat is psychologisch aantrekkelijk. De beweging heeft verder een sterk anti-machismo-karakter. De predikanten zijn mannen, maar zendingswerkers en organisatoren zijn vrouwen.

``Het weberiaanse aspect van de beweging is dat zij een morele code biedt voor sociale mobiliteit: hard werken, sparen, belangstelling voor onderwijs. Allemaal kenmerken van een zich ontwikkelend kapitalisme. Als men dit een generatie lang volhoudt en het economische klimaat is gunstig, is er een goede kans dat men er beter van wordt. Ik geef al onze onderzoeksprojecten ondertitels. Bij het Latijns-Amerikaproject schreef ik: `Max Weber leeft en woont in Guatemala'. Dat land heeft het hoogste percentage protestanten in Latijns Amerika – tussen een kwart en eenderde van de bevolking. In een aantal landen ontstaat een nieuwe protestantse middenklasse, een ontwikkeling die lijkt op die in West-Europa en de VS van enkele eeuwen geleden. Soortgelijke ontwikkelingen doen zich voor in Afrika bezuiden de Sahara en in Azië, van Nepal tot Siberië en met name in Chinese gemeenschappen.''

In de jaren zestig deelde u de mening van de meeste sociologen dat secularisering een onvermijdelijk bijverschijnsel is van modernisering en dat het op den duur aan individuen is hoe zij zin geven aan hun leven. Wat heeft u op andere gedachten gebracht?

``De feiten. Ik ben niet van wereldbeeld veranderd, maar moest met anderen vaststellen dat de seculariseringsthese niet meer was vol te houden. En als een theorie wordt gefalsifieerd, laat je hem los. Ik deed aan het begin van de jaren zeventig mijn eerste ervaringen op in niet-westerse samenlevingen en die barstten van de religiositeit. Bovendien had de tegencultuur van de jaren zestig en zeventig in West-Europa en vooral in de VS duidelijke religieuze motieven. Plotseling renden de kinderen van seculiere intellectuelen rond op blote voeten en zongen ze boeddhistische mantra's. De heersende sociologische theorie kon deze verschijnselen niet verklaren.''

Een jaar of acht geleden zei u: een van de interessantste vragen van de godsdienstsociologie is niet `Hoe verklaren we het fundamentalisme in Iran?' maar `Waarom is West-Europa anders'? Een goede vraag, maar hoe luidt nu het antwoord?

``West- en Midden-Europa vormen het meest geseculariseerde deel van de wereld. In dit verband is een vergelijking met de Verenigde Staten interessant. Het is moeilijk vol te houden dat Nederland moderner is dan de VS en toch is de laatste een zeer religieuze samenleving en de eerste niet meer. Het kan dus geen kwestie zijn van moderniteit. Er is natuurlijk meer dan één enkele oorzaak. We moeten enkele eeuwen terug in de geschiedenis. De verhouding tussen kerk en staat was van meet af aan verschillend. Het Amerikaanse protestantisme was eigenzinnig, hechtte sterk aan autonomie en had een broertje dood aan gevestigde kerken – zoals de lutherse en de anglicaanse – en aan doctrines en hiërarchie. De Europese Verlichting was uitgesproken anti-godsdienstig, de Amerikaanse niet. De onderscheiden intelligentsia's hebben de rest van de samenleving op verschillende manieren beïnvloed. In West-Europa dienden vakbonden en linkse arbeiderspartijen, geleid door seculiere intellectuelen, als vehikels voor secularisering, in de VS niet. Cruciaal voor het uiteengroeien van een seculier West-Europa en een religieus Amerika is de negentiende eeuw. De sociale dynamiek in de VS werd toen beheerst door allerlei dissidente geloofsbewegingen, die in West-Europa door de arbeidersbeweging.''

Beleeft het emotionele, anti-autoritaire en al even anti-intellectuele evangelische protestantisme, dat toen opkwam, nu een reveil?

``Ja en nee. Er is geen groot aantal nieuwe evangelische bekeerlingen. Het is deels een demografisch verschijnsel: lidmaten van evangelische kerkgenootschappen, zoals de Southern Baptist Convention, hebben meer kinderen dan die van gevestigde kerken. Verder laten evangelische christenen tegenwoordig veel meer van zich horen, hebben ze meer zelfvertrouwen gekregen en zijn ze sterk gepolitiseerd. Ze worden niet geaccepteerd in de salons van Washington, maar wel in de rokerige zaaltjes van de Republikeinse Partij. Daar speelt het evangelische christendom tegenwoordig een veel grotere rol dan in de samenleving als geheel.

``Die machtsvorming is nieuw en de kentering valt nauwkeurig te traceren. Die begint in 1963, als het Hooggerechtshof besluit dat bidden in openbare scholen ongrondwettig is en deze mensen het gevoel krijgen dat de hoogste morele autoriteit van de republiek hun levenswijze heeft gedelegitimeerd. Tien jaar later maakte Roe vs. Wade, het abortusbesluit, hen nog woedender. Vanuit een defensieve houding, het gevoel dat de seculiere elite zijn waarden aan hen opdrong, begon deze religieuze gemeenschap te politiseren.

``Intussen zien we iets nieuws, de opkomst van een evangelische intelligentsia. Evangelisch christendom werd geassocieerd met arme, slecht opgeleide mensen, maar nu zijn ze sociaal mobiel en ontstaat een evangelische middenklasse. Sommige evangelische colleges leveren studenten aan elite-universiteiten. Zij publiceren in vakbladen en blijven trouwe kerkgangers. Er rijzen nu twee interessante vragen: zal het evangelische christendom zijn eerste doctorstitels overleven en kan de maatschappij leven met een evangelische intelligentsia? Ik ben benieuwd.''

U heeft ooit gezegd dat u als protestant de voorkeur geeft aan een rationele, historisch georiënteerde benadering van het geloof. Heeft u veel geestverwanten in de VS?

``Nee, niet veel. In de VS zijn conservatieve theologen over het algemeen ook politiek behoudend. En liberale theologen neigen in politieke zin naar links. Ik ben in theologisch opzicht zeer liberaal en politiek bevind ik me enigszins rechts van het midden. Dat maakt Amerikanen zeeziek. In Duits sprekend Europa zijn er veel meer mensen als ik en is de statistische kans om geestverwanten te vinden groter dan in de VS.''

De fundamentele breuklijn, zei u eens, loopt in de huidige wereld niet tussen verschillende religies, maar door religieuze gemeenschappen, tussen mensen die grote zekerheden zoeken en zij die onzekerheid toelaten. Is dit een andere tegenstelling dan wat Samuel Huntington een Botsing van Beschavingen noemde?

``Wat ik bedoelde is dit. De verschillen tussen twee katholieken van wie de een de traditie geheel voor lief neemt zonder vragen te stellen en de ander een scepticus is, zijn groter dan die tussen een sceptische protestant en een zelfde katholiek. In theorie hebben een sceptische katholiek en een sceptische moslim meer gemeen dan ieder afzonderlijk met zijn orthodoxe geloofsgenoten. Het is alleen lastig om een sceptische moslim te vinden. Het huidige islamitische reveil is de poging van een minderheid terug te keren naar een traditionele religie, waarin de teksten letterlijk worden genomen en geen vragen worden gesteld. En dat is de werkelijke betekenis van fundamentalisme.

``Sommigen reppen van een existentiële dreiging en stellen de huidige krachtmeting met de radicale islam op één lijn met de Tweede Wereldoorlog en Koude Oorlog. Francis Fukuyama heeft er terecht op gewezen dat de radicale islam geen existentiële uitdaging vormt voor de Westerse samenleving. Al-Qaeda zal geen einde maken aan de democratie in het Westen, geen glorieuze intocht maken over de Champs Elysées en het kalifaat herstellen met Parijs als zetel. Zo bezien is het geen bedreiging, maar het kan enorm veel schade aanrichten, onze samenleving veranderingen opdringen in naam van de veiligheid en ons verwikkelen in vreselijke buitenlandse experimenten als de oorlog in Irak. In die zin is het wel degelijk een bedreiging en een reële ook. En die houdt ongelukkigerwijze verband met een bepaalde interpretatie van de islam; hij is niet religieus neutraal.''

Hoe verklaart u dat beoefenaren van de sociale wetenschappen zo zelden worden bekroond voor hun werk en maar zelden de kranten halen vanwege doorbraken in hun onderzoek?

``De sociale wetenschappen hebben de laatste jaren niet veel grote inzichten opgeleverd, maar enkelingen, zoals Samuel Huntington en Francis Fukuyama, hebben wel degelijk levendige debatten over grote onderwerpen losgemaakt. Mits naar behoren bedreven, kunnen de sociale wetenschappen een bijdrage leveren aan de verbetering van het menselijke lot door de vinger te leggen op door de waan van de dag veronachtzaamde problemen. Naar mijn mening heeft vooral de sociologie de laatste decennia geleden aan enkele ziekten, die haar bijdrage minder interessant hebben gemaakt. De ene heb ik `methodologisch fetisjisme' genoemd, een fascinatie met meestal kwantitatieve methoden en technieken, de opvatting dat wat niet kan worden gemeten niet kan worden bestudeerd. De andere ziekte is ideologie. Sociologie en ook andere sociale wetenschappen zijn te vaak vehikels van tegenculturele agenda's geworden. En als wetenschap propaganda wordt, houdt ze op wetenschap te zijn.''