Die radicale jongens, die zijn rustig

Het kabinet wil dat `lokale netwerken' op zoek gaan naar mogelijke terroristen. Maar de jongerenwerker en de schooldirecteur hebben er weinig vertrouwen in. ,,De school zal nooit informant worden.''

Het Hannemanplantsoen was vroeger het domein van junks, nu heersen jongerenwerkers Runaldo en Brian over het park. Vanuit een keet delen ze limonade en sportspullen uit. Tientallen kinderen uit de Haagse Schilderswijk hangen aan de speeltoestellen, trappen een bal of dammen in de ochtendzon. Marokkaans, Turks, Antilliaans, Surinaams, iedereen speelt door elkaar heen. Heeft iemand Runaldo en Brian ooit gevraagd om alert te zijn op radicaliserende jongeren? De mannen lachen. ,,Nooit, nooit.''

In de straten waar deze kinderen wonen pakten speciale eenheden vorige week vrijdag een aantal terreurverdachten op. Justitie beschouwt ze als leden van de radicaal-islamitische Hofstadgroep. Maar niet alle leden zijn opgepakt, waarschuwden ministers Remkes (Binnenlandse Zaken) en Donner (Justitie) diezelfde middag. De groep breidt zich uit, zoekt en vindt rekruten onder radicaliserende jongeren.

Het kabinet lanceerde een jaar geleden al een plan om terroristen in de dop eerder op te sporen, voordat ze iets strafbaars doen. Daarin moeten gemeenten een cruciale rol spelen. Want, denken de ministers Remkes en Donner: ,,Signalen van jongeren of anderen die zich af dreigen te keren van de samenleving of dreigen te radicaliseren kunnen het eerst opgevangen worden door medewerkers van gemeente, moslimgemeenschap, politie, scholen, sociale diensten/CWI, woningbouwcorporaties en buurt- en clubhuizen.'' Deze ,,haarvaten'' van de samenleving moeten de nieuwe Mohammed B.'s of Samir A.'s ontdekken voor ze toeslaan.

Maar is dat realistisch? Neem de stad Den Haag. Uit een rondgang langs de haarvaten in die gemeente blijkt dat de meesten niets weten van de taak die hun is toegedacht. Ze twijfelen of ze in staat zijn die signalen op te vangen, en of ze die dan wel zouden doorgeven. Vrees is er ook, dat het aannemen van een informantenrol onderling wantrouwen creëert en daarmee juist bijdraagt aan radicalisering. Niet alleen Den Haag worstelt. Andere gemeenten twijfelen ook, zo blijkt uit een panelonderzoek van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

Robbert van der Vlerk is de uitzondering, hij is wel opgeroepen signalen door te geven. In zijn kantoor – aan de andere kant van de muur woonden een paar van de verdachten die vorige week in de Schilderswijk werden aangehouden – vertelt de adjunct-directeur van de Stichting Jeugdwerk dat onderwijswethouder Pierre Heijnen tijdens een bijeenkomst van welzijnswerkers in juni vroeg signalen door te geven. Van der Vlerk zou het graag doen, maar er komt toch niets uit, denkt hij: die echte radicalen, die zie je niet.

De woningcorporaties weten van niets. Niemand heeft Haagwonen, met 12.000 woningen de grootste verhuurder in de Schilderswijk, ooit gevraagd ergens op te letten. Datzelfde geldt voor de CWI Den Haag. Niets gehoord.

De scholen dan? Die kwamen vorige week bij elkaar om samen met wethouder Heijnen te praten over integratie en radicalisering. Het ROC Mondriaan Onderwijsgroep, de grootste organisatie voor middelbaar beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (bijvoorbeeld inburgeringscursussen) in Den Haag en het Johan de Witt College waren erbij. Ook hun is nooit gevraagd of ze signalen van radicalisering wilden doorgeven.

Runaldo – zilveren ketting, dunne rastavlechtjes onder een petje, knokkels getekend door vechtpartijen met lastige jongens en drugsdealers – vertelt dat Brian en hij al acht jaar lang elke dag de kinderen van de Schilderswijk bezighouden. ,,Wij kennen iedereen, man!'' Ze zouden, zeggen ze, geen seconde aarzelen als ze merkten dat iemand de gewelddadig fundamentalistische kant op ging. Direct de politie inschakelen, geen twijfel. Er is volgens Runaldo maar één probleem: ,,Laat mij een kind zien, ik vertel je direct of hij een crimineel is, of problemen thuis heeft. Maar die radicale jongens, die zijn rustig, die zie je niet.''

En stel, vraagt Runaldo, je ziet dat een jongen steeds geloviger wordt, wat dan? Hij noemt het voorbeeld van een jongen die `in het leven' zat. ,,Hij kreeg zo'n vlassig baardje, ging zo'n kleed dragen. Maar hij kreeg een vrouw, een baan, stapte uit het criminele leven. Die jongen krijgt van mij een tien. Alle respect!'' Streng geloof, bedoelt hij maar, kan ook wonderen verrichten.

,,Ik kan mij niet voorstellen dat wij in staat zijn potentiële terroristen te identificeren'', zegt Jos Leenhouts, voorzitter van het college van bestuur van ROC Mondriaan. Niet omdat ze niet alert zijn, want ook op hun school zijn symptomen van oprukkend fundamentalisme zichtbaar, maar omdat echte risicogevallen zich goed verbergen.

Criminaliteit, overlast, problemen thuis en ruwere omgangsvormen, maar ook discriminatie op de arbeidsmarkt. Daar richten jongerenwerkers en scholen zich op, daar kampen hun kinderen mee. Natuurlijk, ook op school is geloof een beladen gespreksonderwerp. Over de ,,slachtoffervisie'' van veel moslimjongeren, een potentiële voedingsbodem voor radicalisering, zijn gesprekken met leerlingen vaak fel. ,,Soms jeuken hun handen om mee te strijden tegen wat zij zien als de wereldwijde onderdrukking van moslims door het westen'', zegt Kars Veling, rector van het Johan de Witt College. Maar het zijn jongeren, ze zoeken provocatie, idealen, willen zich afzetten tegen de gevestigde orde. Als hij echt vermoedens zou hebben dat het de verkeerde kant op gaat, en dat is nooit gebeurd, zou hij met ouders en kind gaan praten. ,,De school zal zich nooit lenen als informant voor belanghebbenden buiten onze gemeenschap.''

Zo naar mensen kijken is ,,bloedlink'' voor de goede verhoudingen, denkt Leenhouts. Zij wil zich niet bij elke leerling afvragen ,,of hij een bommetje in zijn tas zou hebben''. Wel of hij voelt dat hij erbij hoort, of hij houvast heeft, want daar moet zij voor zorgen.

Trots vertelt wethouder Heijnen over de inspanningen die de gemeente Den Haag al jarenlang verricht om ook alle etnische groepen bij de maatschappij te betrekken. Zó bestrijdt zijn stad radicalisering. Hij twijfelt over het signaleringsnetwerk van het kabinet. Niet dat de gemeente geen contacten heeft met scholen, jongerenwerk en de andere partijen. De contacten zijn er en zijn onder dreiging van radicalisering de laatste jaren aangehaald, maar het is allemaal gericht op integratie, het wegnemen van de voedingsbodem van radicalisme, niet op het ontdekken van een vermeende terrorist.

Dat zoiets zou kunnen is volgens Heijnen een illusie. ,,Het is een echte misvatting dat we met minder middelen dan politie of AIVD in staat zijn om die mensen aan te wijzen die zij ook niet vinden.'' Je moet je ook afvragen, vindt Heijnen, of je wel moet willen dat iedereen elkaar in de gaten gaat houden. Dat past niet in Nederland, vindt Heijnen.

In de El-Islam moskee, de grootste in de Schilderswijk, is het middaggebed net afgelopen. Honderden mannen trekken bij de uitgang hun schoenen aan. De stemming is verstild, naar binnen gekeerd, het is halverwege de ramadan. Zou Ali Bel Haj, voorzitter van het moskeebestuur, een potentiële terrorist herkennen? Bel Haj aarzelt. Hij ziet ook wel eens tekenen waar hij geen lekker gevoel van krijgt. Jongens en meisjes die zich anders gaan kleden. ,,Het dragen van het Afghaanse kledingmodel en de burka is niet normaal bij Marokkanen.'' Bij concrete verdenkingen onderneemt Bel Haj wel actie, maar een nieuwe klederdracht valt daar niet onder. In dit land, zegt hij, is iedereen vrij om te beslissen wat hij aantrekt. Hij zou wel eens willen weten hoe je iemand herkent met gewelddadige plannen. ,,Wij kunnen ze niet in het hart kijken. Wat daar gebeurt is geheim.''