`De staat zelf vormt waarschijnlijk het grootste veiligheidsrisico voor het Congolese volk'

Drie jaar na het einde van de burgeroorlog in Congo is het vredesproces nog lang niet voltooid. Als indirect gevolg van de oorlog sterven dagelijks naar schatting nog duizend mensen, de meesten door ondervoeding en ziekte, een deel door het voortgaande geweld.

De belangrijkste leiders van de partijen die tijdens de burgeroorlog tegenover elkaar stonden – de oude regering, twee rebellengroepen en de oppositie – hebben allemaal een plaats gekregen in een overgangsregering. Maar hun corruptie en wanbeleid bedreigen de stabiliteit. Dat kan alleen maar erger worden tijdens en na de verkiezingen die aanvankelijk in juni zouden worden gehouden maar die nu tot maart volgend jaar zijn uitgesteld. ,,De staat zelf vormt waarschijnlijk het belangrijkste veiligheidsrisico voor het Congolese volk.'' Dat schrijft de gezaghebbende International Crisis Group (ICG) in het `Actieplan voor Congo' dat deze week verschenen is.

Het vredesakkoord van drie jaar geleden voorzag niet alleen in de instelling van een overgangsregering, ook in hereniging van het verdeelde land en ontwapening en integratie van strijders. De eerste meerpartijenverkiezingen in 41 jaar moesten de bekroning zijn. Volgens de ICG is er zeker vooruitgang geboekt. Er ligt een ontwerpgrondwet die in november in een referendum aan het volk zou worden voorgelegd. De vroegere rebellenbewegingen zijn begonnen zich om te vormen tot politieke partijen.

Maar de overgangsregering is een zootje met vier vice-presidenten naast president Joseph Kabila en 36 ministers, die zich allemaal proberen te verrijken. Ambtenaren en soldaten ontvangen zelden loon. De integratie van de strijders in één nationaal leger verloopt moeizaam. En de hervorming van het justitieel apparaat en het lokaal bestuur is niet eens begonnen. Dat komt, zegt de ICG, omdat de strijdende partijen hun macht niet willen opgeven. Ze houden er nog allemaal parallelle commandostructuren op na binnen het leger, de lokale overheid en de veiligheidsdiensten.

In het oosten, waar de burgeroorlog is begonnen, is de staat nog zo zwak dat hij geen orde op zaken kan stellen. Binnenlandse milities en buitenlandse rebellen terroriseren de plaatselijke bevolking in de provincies Noord- en Zuid-Kivu en in de regio Ituri. In de provincie Katanga vechten Mai-Mai-milities met het leger, waardoor volgens de ICG meer dan 280.000 mensen uit hun dorpen zijn verjaagd.

Volgens de ICG zal komend jaar beslissend zijn voor Congo, een van de grootste en potentieel rijkste landen van Afrika. ,,Er is alle reden om bang te zijn voor verkiezingsfraude en zelfs een terugkeer van massaal geweld'', schrijft de ICG. ,,Dat zou niet alleen de eenheid van Congo in gevaar brengen maar ook de stabiliteit van een groot deel van het continent.''