De ontdekking van het weten

Harry mulisch nam goed gemutst het boek in ontvangst. De omstandigheden zaten ook mee. Het boek werd ten doop gehouden in een schitterende zaal van het Teylers Museum in Haarlem, waar Harry Mulisch is opgegroeid, zoals iedereen weet. Het boek werd aan Mulisch opgedragen, maar het is geen roman, dus concurrentie is geen punt. De titel is: `De geschiedenis van het weten' (C. Kwa, uitgeverij Boom, 2005) en ik kan mij voorstellen dat Mulisch in zijn schik was. Een domoor kan je niet zijn, als je zo'n geleerde pil krijgt aangeboden. Mulisch, de man die zoveel weetgierigheid in zijn romans verwerkt, voelde zich op waarde geschat.

Mulisch was zo enthousiast, dat hij publiekelijk bekende dat hij eens zelf biochemisch onderzoeker had willen worden, net als ik. Het was 1943, in de put van de Tweede Wereldoorlog, zoals Mulisch het noemde, en hij kwam geregeld in het Teylers Museum om boeken te lenen bij bibliothecaris Lorentz, een zoon van de grote Nederlandse fysicus, maar niet helemaal met hetzelfde fysische vernuft.

Thuis had Mulisch een laboratorium in 1943 waarin hij biochemische proeven deed. Jazeker. Het was Mulisch opgevallen dat de structuur van het bladgroen, chlorophyl, en van onze bloedkleurstof, het haem in het hemoglobine, op elkaar leken. Alleen chlorophyl bevat in de kern van de structuur magnesium, terwijl haem ijzer bevat. De 15-jarige Mulisch mengde daarom een plantenextract met wat roest (ijzeroxide), dat zelfs in de oorlog nog makkelijk te krijgen was. Zo poogde hij om chlorophyl in een rode kleurstof om te zetten door magnesium te vervangen door ijzer. Dat kan niet, weten wij nu, maar het was toch een aardige poging om de biochemie vooruit te helpen.

Doorgezet heeft Mulisch niet en tijdens de receptie heeft hij mij uitgelegd waarom: Biochemici doen nooit iets dat niet ook door een andere biochemicus gedaan kan worden. Dat kon ik niet tegenspreken. Ik heb wel eens dingen ontdekt die niet zo voor de hand lagen, maar in het algemeen ben je als onderzoeker toch niet meer dan een paar maanden voor op de concurrentie. Dat geldt zelfs voor de meest geniale geesten in de bèta-wetenschappen. Had Einstein de relativiteitstheorie niet geformuleerd, dan had iemand anders het wel gedaan, een paar jaar later.

Daarentegen is `Het proces' van Kafka uniek, vond Mulisch. Kafka hoefde zich niet te reppen om zijn `Proces' gepubliceerd te krijgen omdat anders iemand anders het vóór hem zou publiceren. `Het Proces' is uniek, schrijvers zijn uniek; van biochemici zijn er 12 in een dozijn. Ook dat kon ik niet tegenspreken. Voor jeugdige lezers die het voorbeeld van Mulisch willen volgen, wil ik daar wel aan toevoegen dat middelmatige biochemici nog iets interessants kunnen ontdekken, terwijl derderangs schrijvers nutteloos zijn. Biochemie is additief. Een vrij onbeduidend steentje, bijgedragen door een simpele geest, kan de basis helpen leggen voor een imponerende uitzichttoren. Alle beetjes helpen in het biologisch onderzoek en dat geldt niet voor schrijvers. Of Mulisch er toch niet beter aan had gedaan om biochemicus te worden, laat ik in het midden.

Mulisch begon waarschijnlijk over de biochemie omdat ik vóór hem al iets over het boek van Kwa had gezegd. Als biochemicus had ik niet veel te melden over de geschiedenis van de wetenschap. Schitterend dat iemand in 384 pagina's die geschiedenis van Aristoteles tot vandaag leesbaar weet samen te vatten aan de hand van zes stijlen van wetenschapsbeoefening, de deductieve, de experimentele, de analogisch-hypothetische, de taxonomische, de statistische, en de evolutionaire stijl. En dat alles uit culturele belangstelling, niet om een ander wetenschapsbeleid te bepleiten, of als aanzet voor de constructie van een platter TV-scherm. Ik werd er nostalgisch van, het boek van Kwa, jaloers op de status die nieuwe kennis in vroeger tijden had. Antoni van Leeuwenhoek deed fundamenteel onderzoek zonder enig nut, maar iedereen wilde zijn ontdekkingen zien. De lijst van vorsten en hoogwaardigheidsbekleders die in Delft bij Antoni langs gingen, bevat de meeste machthebbers van zijn tijd. Wetenschappelijk onderzoek stond in aanzien, de intelligentsia van de 17de eeuw was gefascineerd door de resultaten van dat onderzoek, nieuwe kennis was iets geweldigs, niet om de toepassingsmogelijkheden, de `valorisatie' (om een goed Vlaams woord te gebruiken dat ook in Nederland populair is geworden), maar vanwege de culturele betekenis, het inzicht dat nieuwe kennis geeft in ons bestaan, onze wereld en onze plaats in die wereld.

Dat respect voor nieuwe kennis is schaars geworden. Stel dat Jan Peter Balkenende zich morgen bij het Nederlands Kanker Instituut - Antoni van Leeuwenhoek ziekenhuis aan de poort meldt, teneinde de laatste resultaten van ons onderzoek te komen bekijken. Dan zou ik eerder denken aan een politieke manoeuvre, een nieuwe poging om het stijfburgerlijke imago van onze minister-president wat op te vijzelen, dan aan oprechte belangstelling voor wat er in onze cellen al zo aan fascinerende processen plaatsvindt.

Genoeg geklaagd. Ik vind het schitterend dat er mensen zijn die een dik boek schrijven over de ontdekking van het weten. Het aardige van zo'n boek is dat je kunt zien waar het weten echt vandaan komt. Pas toen mensen gingen waarnemen, feiten vergaren, proeven doen, kwam er houtsnijdende informatie. Met denken, filosoferen, theoretiseren zijn we niet ver gekomen. De experimentele stijl, de taxonomische stijl en de evolutionaire stijl van wetenschapsbeoefening zijn het die ons de harde kennis over onszelf en onze aarde hebben gebracht.

Op zo'n magnum opus valt natuurlijk altijd wel iets aan te merken. In de coda van hoofdstuk 9 staat: `Wie heden ten dage biologie gaat studeren in de verwachting veel over de evolutietheorie te weten te komen, komt bedrogen uit.' Dat lijkt mij achterhaald. Het biologieonderwijs, zoals ik dat ken, heeft altijd een sterke nadruk gelegd op de evolutionaire aspecten. Zoals Dobzhansky het heeft geformuleerd: `Niets is begrijpelijk in de biologie tenzij men het beziet in evolutionair perspectief.' Als hier en daar in de provincie toch wat weinig aandacht werd besteed aan het gedachtegoed van Darwin, dan is daar zeker in de afgelopen twee jaar een eind aan gekomen door de opkomst van de Intelligent Design beweging in Nederland.

Darwin staat onder druk, de christelijke barbaren staan voor de poort en iedere rechtgeaarde bioloog klimt op de barricaden, zeker in het biologie onderwijs.

Ook over de beknopte chronologie aan het eind van dit boek zou ik met auteur Kwa willen twisten. Antoni van Leeuwenhoek komt daar niet in voor en zelfs Louis Pasteur niet. Ook in de 20ste eeuw komt de biologie er karig vanaf, terwijl wetenschapshistorici de tweede helft van de 20ste eeuw toch algemeen beschrijven als de gouden eeuw van de biologie. Wij moeten het doen met Watson en Crick en hun DNA-structuur, de genetische code en het humane genoomproject. Als dan wel de val van de Berlijnse muur wordt genoemd, mag de biologie in een volgende druk wel wat meer aandacht hebben.