Brieven van een landverhuizer: misplaatst pessimisme

Een van de voormalige Nederlandse ambassadeurs in Hongarije, meneer de Vos van Steenwijk, verwijt mij dat ik te negatief over Hongarije bericht: dat ik het land te veel afschilder als een freakshow. Hij heeft gelijk. Bij tijden laat ik mij meeslepen door mijn gemoed.

Verder is het inherent aan deze column dat ik meer aandacht aan het afwijkende dan aan het normale besteed. Het is dankbaarder de kale, alcoholische Béla die onmiddellijk na de slacht de rauwe ballen van het schaap oppeuzelt op te voeren dan de brave Boedapester vrienden die zich geduldig inspannen voor een betere maatschappij.

Natuurlijk is Hongarije, als ieder land, grotendeels bevolkt door normale mensen die het beste voor hun kinderen wensen. Nu ik hier iets langer dan twee jaar woon, weet ik nog steeds niet goed wat ik van de Hongaren denk. Velen zijn zachtaardig, om niet te zeggen: lief. Maar rond een flink percentage hangt een koppige gefrustreerdheid, die deels te verklaren is (eeuwen van buitenlandse overheersing, onzekerheid, armoede) maar deels niet. Zoals de gemiddelde Amerikaan een cultuurbepaald, op de toekomst gericht optimisme heeft, lijkt de gemiddelde Hongaar een dito, op het verleden gefocust pessimisme te hebben.

Boedapest is, zonder overdrijven, een van de mooiste steden van de wereld. Het land is prachtig. Er zijn eindeloze, licht golvende akkers zoals je ze in West Europa vrijwel niet ziet. Het kan niet anders of dit land wordt vroeger of later weer dé graanleverancier van Europa. Onder de Hongaarse laagvlakte zit een onmetelijk waterreservoir dat in de toekomst Europa van helder drinkwater gaat voorzien. Steeds meer industrie vestigt zich hier. Het frame voor iedere Ferrari wordt in Hongarije geproduceerd. Het Gresham Palace is tot het mooiste hotel in de wereld uitgeroepen. De Hongaren zijn creatief, muzikaal en mathematisch bewezen (13 nobelprijzen) bovengemiddeld getalenteerd. Dé gaven waar de huidige technologische wereld naar smacht. Kortom het Hongaarse pessimisme is – feitelijk bezien – volkomen misplaatst.

Volgens Transparency International is de corruptie in Hongarije lager dan in de rest van Centraal Europa. (In de index van 2004 is Hongarije een goede middenmoter op de 42ste plaats, op gelijke hoogte met Italië. HaÏti staat op de 145ste plaats, Roemenië op 87, Nederland op 10 en Finland op de eerste plaats. Grofweg geldt dat hoe dichter je bij de Noordpool gaat wonen hoe minder zorgen je je over corruptie hoeft te maken.)

Een of twee keer per week neem ik een bosweg die verboden is. Daar word ik met tussenpozen aangehouden door de politie. Aangezien ik dit al ruim twee jaar doe, is het een aardige indicator (niet geheel wetenschappelijk want de steekproef is te klein) van het gedrag van de Boedapester verkeerspolitie, die notoir corrupt is.

In het eerste jaar werd vijf keer op contante betaling aangedrongen en mocht ik drie keer doorrijden. Dit jaar werd ik vanaf augustus drie keer aangehouden. Eén keer mocht ik na een reprimande doorrijden en twee keer kreeg ik een officiële bekeuring. Geen enkele maal werd aangestuurd op een cash transactie. Als ik zo'n eerlijke politieman tegenover me vind, heb ik enerzijds de pest aan het gedoe en de kosten, anderzijds zingt mijn hart vanwege de beloftevolle wettelijkheid. Het gaat goed met Hongarije!

Gisteravond dronk ik iets met Dénes, een Hongaars-Duits-Nederlandse schilder. Hij vertelde hoe hij kort geleden 's nachts op zijn fiets voor een rood licht stond. Op de andere hoek wachtte een politie-auto. Het licht sprong op groen. Dénes zette zich in beweging. De politie-auto trok op, door rood, en ramde hem. De drie agenten sprongen uit de auto en vroegen of het ging, of er een ambulance gebeld moest worden. Alles was goed. Dénes zei: ,,Jullie rijden door rood en scheppen mij.''

,,Nee, wij rijden niet door rood'', zeiden de agenten. Dénes hield voet bij stuk. Toen vroeg de chauffeur van de politie-auto: ,,Hoeveel? Hoeveel moet je hebben om dit op te lossen? 5.000 forint, okay?!'' Dénes aanvaardde het. Hij wilde niet riskeren alsnog naar het bureau te worden afgevoerd. De agenten legden hun geld bij elkaar, overhandigden een stapeltje beduimdelde biljetten en vertrokken haastig, op zoek naar iemand die het verlies van de avond kon compenseren.

Mijn eerste contact met de Boedapester politie was eveneens met een drietal (waarschijnlijk zijn ze in drietallen gestopt om het lastiger te maken ze om te kopen). In een auto met buitenlands kenteken maakte ik 's nachts een verboden draai op de Andrássy út. Ineens verscheen er een blauw zwaailicht achter me. Ik had twee Jameson's gedronken. De alcoholtest verraadde me. Ik moest mee naar het bureau, de auto inleveren, aldus de agenten. Gelukkig was een van de inzittenden, beter op de hoogte van de lokale mores, zo attent te vragen of de bekeuring niet ter plekke kon worden voldaan. Dat kon.

Het ging volgens het boekje (daarna gebruikten de agenten dezelfde discrete procedure, alsof ze het op de politieschool zo leren). Ik moest achter het stuur plaatsnemen en het overeengekomen bedrag tussen mijn autopapieren stoppen. Door het raam overhandigde ik het mapje. De agent nam het mee naar de politie-auto en bracht het even later, zonder het geld uiteraard, terug.

Toen vroeg hij waar ik heen moest. De barsheid was uit zijn stem verdwenen. Ik zei het adres. Hij droeg me beleefd op hen te volgen. De politie Lada trok op in een veilig, laag tempo. Met mooi blauw zwaailicht dat in de bomen en huizen reflecteerde escorteerden ze ons door de Boedapester nacht tot aan de voordeur. Het kan niet anders: een land begiftigd met dergelijke onverwachte, surreële hoffelijkheid wacht een goede toekomst.

Ik acht de kans dat ik terugkom naar Nederland steeds kleiner. Een groter compliment kan ik niet geven. Hongarije is een land – mét alle alcoholische Béla's, onbetrouwbare marmerwerkers, gillende zigeuners en corrupte agenten – om lief te hebben.