Aandacht nodig voor Pakistan

Er zijn goede argumenten om geen geld te geven aan acties voor de slachtoffers van de aardbeving in Pakistan en india. Hulpgeld komt vaak niet goed terecht door barre natuurlijke omstandigheden, corruptie, politieke tegenwerking en concurrentie tussen de honderden hulporganisaties. Transportcapaciteit wordt soms opgeslokt door minder urgente goederen zoals ongevraagde oude knuffels of speelgoed (`Knuffels voor Kosovo'). Vaak zeggen regeringen honderden miljoenen toe, maar doen ze hun beloften niet gestand, zoals bij de aardbeving bij het Iraanse Bam, in december 2003. De inzamelingen gaan ten slotte ten koste van gaven aan andere noodgebieden, zoals Darfur of oostelijk Congo.

Ook bij de nationale actie voor de Aziatische tsunami in januari speelden al deze factoren een rol. Slecht bereikbare gebieden, politieke tegenstellingen in Atjeh, honderden tentjes en vlaggetjes van organisaties die zichzelf op de kaart zetten. Anderhalve maand na de ramp stroomden de hulpkassen toen over. De samenwerkende hulporganisaties lieten weten aan 160 miljoen euro genoeg te hebben, en Artsen zonder Grenzen vroeg de gulle gevers zelfs of het een deel van het geld elders mocht besteden. Dat betekende overigens niet dat de getroffen gebieden geen hulp meer konden gebruiken, maar er zijn fysieke grenzen aan noodhulp, hoeveel geld er ook beschikbaar is.

Fysieke beperkingen zijn er zeker in het geïsoleerde Pakistaanse berggebied dat nu is getroffen. De levering van dekens en tenten wordt bemoeilijkt door gebrek aan mogelijkheden ze door de lucht of via de bergpassen te vervoeren. Er zijn ook politieke grenzen: in Kashmir woedt een grensoorlog. Hulpverleners kunnen moeilijk de grens tussen India en Pakistan oversteken, ook al mag dat sinds kort van de Pakistaanse president Musharraf. Het Indiase leger moet zich bij de hulpverlening beschermen tegen Pakistaanse terroristen.

Toch zijn de vele complicaties en gebreken zeker geen reden om dan maar af te zien van hulpverlening. Regeringen kunnen van alles beloven, maar particuliere hulporganisaties krijgen dankzij giften van particulieren baar geld in kas, dat meteen kan worden gebruikt. Dat de gevers tot nu toe terughoudend zijn geweest, heeft vermoedelijk het tekort aan spectaculaire televisiebeelden als voornaamste reden. De tsunami trof bekende toeristengebieden in Thailand en Indonesië, en de gebeurtenis werd door journalisten en toeristen gefilmd. Westerse vakantiegangers veranderden in ambassadeurs voor noodhulp. Bovendien, Nederlanders waren na de moord op de filmer Theo van Gogh ook toe aan een opbeurende gezamenlijke actie.

Het contrast tussen de massale gulheid voor de slachtoffers van de tsunami en de betrekkelijke onverschilligheid over de aardbeving in Pakistan is sterk. Dat geldt overigens wereldwijd. Het dodental wordt inmiddels geschat op 50.000 tot 100.000. Als er nu geen grootscheepse hulp komt naar het getroffen gebied dreigen honderdduizenden volwassenen en kinderen om te komen door honger en de invallende kou. Er kunnen meer levens worden gespaard.

Van de omgerekend 260 miljoen euro die de Verenigde Naties regeringen hebben gevraagd, was enkele dagen geleden nog maar 31 miljoen toegezegd. Na een oproep van Kofi Annan kwamen de Turkse en Saoedi-Arabische regering alsnog over de brug, met 150 en 131 miljoen dollar, bij elkaar al meer dan het gevraagde bedrag. Die bedragen moeten nog wel worden overgemaakt. Van dat geld kunnen Pakistanen ook zelf tenten en dekens maken. Het Westen heeft expertise en transportcapaciteit. De NAVO doet er goed aan niet alleen honderden militairen te sturen om hulp te bieden, maar ook de luchtsteun van veertig helikopters uit de lidstaten uit te breiden. Dan weten gevers ook dat de hulpgoederen daadwerkelijk kunnen worden vervoerd.