Wel voeden, maar niet opvoeden

Citaten uit eerdere recensies die uitgevers vaak op de omslagen van nieuwe boeken zetten zijn zelden bevorderlijk voor de leeslust; misschien alleen voor de kooplust van iemand die een verjaarscadeau voor een bekende zoekt. Nog minder effectief, en soms afstotend, werken de teksten die uitgevers voor een boek laten schrijven door vriendjes van de auteur. Iedere lezer begrijpt dat een beoordeling als `best een leuk boek' nooit afgedrukt zou zijn. Alleen fanfares komen in aanmerking.

Het debuut van Sean Wilsey, geboren in Californië in 1970, geeft een sterk voorbeeld van hoe een boek liever niet aanbevolen moet worden. Drie vriendjes hebben loftuitingen ingestuurd, voorop de bekende superrelativist Dave Eggers, auteur van A Heartbreaking Work of Staggering Genius; hij noemt Wilseys werk jaw-dropping, reckless, brilliant, insane. Eenmaal hiervan bijgekomen vind je op de eerste pagina het kleine gezin Wilsey beschreven in `We were Mom and Dad and I – three palindromes! –...' en dan raak je al hoofdschuddend gestemd. Het is niet erg dat iemand met zo'n leeg grapje een boek begint; het is verontrustend dat hij het niet weghaalt bij het overlezen van zijn tekst.

Er worden natuurlijk vele andere tonen aangeslagen in de loop van de 483 pagina's, en er zullen zeker lezers gewonnen worden door het verhaal van Sean Wilseys ongeregelde jeugd. Dat hij binnen het boek dezelfde naam draagt als op de omslag verklaart dat zijn werk als een memoir aangeduid wordt, en niet als een roman. Wel zijn er veel romanelementen aan toegevoegd: dialogen, verzonnen incidenten en haarfijne herinneringen die niet letterlijk geloofd kunnen worden. Precies zoals hij vertelt kan Wilseys jeugd niet geweest zijn; hij zou kunnen zeggen, op zo'n soort manier heb ik geleefd.

Het gezin Wilsey rolde in de miljoenen dollars, door de vader in de handel verdiend. En het leefde en praatte daar ook naar – veel over nieuwe auto's en huizen en woninginrichting. Geldzaken kwamen des temeer aan de orde toen Dad en Mom uiteengingen. De jonge Sean werd als tiener grotendeels aan zijn lot en zijn beperkte inzichten overgelaten. Noch zijn moeder die als vredesapostel ging optreden en luid gepubliceerde reizen naar Rusland maakte, noch Dads bekoorlijke tweede vrouw die ook weer een geldwolf was, besteedde aandacht aan zijn opvoeding, en Dad had het er meestal te druk voor. De jongen werd naar verschillende dure kostscholen gestuurd, waar hij te maken kreeg met leeftijdgenoten die even onzorgvuldig opgevoed waren als hij; daarna naar een superieur soort tuchtschool met psychiatrische theorieën waaruit hij ontsnapte en waarnaar hij zich niet liet terugsturen.

Nadat hij tot zijn achttiende jaar ongeregeld geleefd had kwam er een ommekeer. Er was een instituut in Italië ontdekt waar hij met een vriendelijker soort levensopvatting behandeld zou worden; en werkelijk, het ging zo goed dat hij een evenwichtige soort jongere werd. Vier jaar lang werd hij geschoold in verstandig leven; toen keerde hij in zijn nieuwe gedaante terug naar de Verenigde Staten, begon een carrière als journalist en redacteur en schrijver en trouwde met een beminnelijk uitziend meisje genaamd Daphne. De wilde Sean bleek een prettige, zachtmoedige kerel te kunnen zijn, en wij lezers kunnen ons niet anders dan verheugen dat het zo gelopen is.

Dat is dan de waarde van Wilseys boek als bijdrage aan onze kennis van het Californische leven in de laatste decennia van de vorige eeuw. Zo opgevat is het meer waard dan als roman. Hoe sensationeel en mondiaal marktbewust onze beschaving zich ook aan het ontwikkelen is, nog steeds stellen de meesten van ons zich een romanschrijver voor als een figuur die in een stille zijkamer denkbeeldige levens oproept en onder geen beding gestoord mag worden. Sean Wilsey heeft heel anders gewerkt, te oordelen naar de twee pagina's acknowledgements waar hij mee besluit. Daar worden, volgens een losse telling, zesentachtig personen bedankt die aan de totstandkoming van dit boek hebben bijgedragen: familieleden, schoolgenoten, vrienden, vriendinnen, collega's, en zelfs drie kranten, twee in San Francisco en de Washington Post.

Zij hebben geholpen met de biografische gegevens, zullen begrijpende lezers zeggen; daar heb je buitenstaanders voor nodig, om ze duidelijker of anders te zien. Dat is vast waar. Wat niet vaststaat, integendeel, is dat zij de waarheid van de herinneringen helpen garanderen. Een vijfendertigjarige auteur die alles wat hij weet en vindt van zijn familie en vrienden in een boek zet, zal er maar enkele van de zesentachtig overhouden. Het is het voordeel van de romanvorm dat niemand daar de autobiografische feiten van kan betwisten en dat de persoonsnamen verzonnen zijn; dan blijft de schade beperkt tot een enkele woedende neef die zichzelf gemeend heeft te herkennen.

Wie zijn vrienden en bekenden wil behouden met een memoir moet over hun eigenaardigheden heenzeilen, en dat heeft Wilsey gedaan. Hij heeft het zelfs gedaan met zijn egocentrische moeder, met de onaangename tweede vrouw van zijn vader, en met de vader zelf op wie hij eigenlijk het meest gesteld was. Hij heeft het eerlijkheidshalve ook gedaan met zichzelf, zodat het moeilijk is, zelfs ondoenlijk, om de vroege Sean terug te voelen in de latere.

Wel zal de Nederlandse lezer met een ongeveer gemiddeld inkomen en een ongeveer gewone levenswijze versteld staan van het Californische leven. Dave Eggers zei het al: het is jaw-dropping – onze monden vallen open.

Sean Wilsey: Oh the Glory of it All. The Penguin Press, 483 blz. €26,–. Een Nederlandse vertaling verschijnt in februari 2006 bij Rothschild & Bach.